Welkom op de Pagina van Pelgrim JOOP


Samenvatting Joop’s Vía de la Plata Etappe 1 in 2000
|
O |
p enig moment is het idee ontstaan om de Vía de la Plata te gaan lopen. De Vía de la Plata of Ruta de la Plata is de pelgrimsroute die loopt van Sevilla naar Astorga en daar aansluiting vindt op de Camino Francés, de Camino die ik in 1996 en in 1998 vanaf Saint Jean Pied de Port heb gelopen.
In 1996 vertrok ik alleen naar Spanje en op de Camino werden veel collega pelgrims aangetroffen. Dat was ook in 1998 zo. Op jaarbasis lopen over deze noordelijke route enige tienduizenden pelgrims dus je ziet daar altijd wel iemand. De Vía de la Plata daarentegen is leeg. Er wonen ook maar weinig mensen en het aantal dorpen is beperkt. Op jaarbasis lopen daar honderden pelgrims, misschien duizend. Zo kon het gebeuren dat ik in het jaar 2000 gedurende de twintig dagen dat ik in Spanje was zegge en schrijven twee Belgen heb ontmoet die erg op zichzelf waren en een Nederlands echtpaar waarvan de vrouw ziek was geworden. Op vier plaatsen ontmoette ik in totaal 20 Spaanse bikers (fietsers) waarvan er slechts vier in het Engels konden converseren. Het communiceren in het Spaans was in feite niet mogelijk omdat de kennis van de Spaanse taal voor mij niet verder gaat dan het kunnen bestellen van eten en drinken. Het betekende dat ik de eenzaamheid die ik zocht dan ook volledig heb gevonden en dat is achteraf gezien niet goed bevallen. De dag-etappes waren lang en het kwam meerdere keren voor dat er onderweg geen dorpjes konden worden aangedaan voor een kopje koffie of proviandering. Daarnaast was het weer aanhoudend slecht. Veel harde wind, bittere kou en langdurige regen eisten hun tol in de vorm van blaren. De Extremadura heeft zich getoond zoals deze streek is: een desolaat landschap waar de mensen in een hard klimaat moeten zien te overleven. Halverwege op de twintigste dag heb ik de beslissing genomen die niet was voorzien en waar door niemand rekening mee was gehouden: ik onderbrak deze tocht tijdelijk met de gedachte dat ik zou terugkomen als het wat gezelliger was.
Samenvatting Joop’s Vía de la Plata Etappe 2 in 2001
|
O |
p 23 april 2001 ben ik met goede moed vertrokken alhoewel de thuissituatie verre van ideaal was en ik mij van te voren bij herhaling heb afgevraagd of ik het wel kon maken om weg te gaan. Het reizen naar en het lopen in Spanje verliepen naar wens. Fysiek waren er geen belemmeringen. De afstand tussen de overnachtingsplaatsen waren, zoals bekend fors, de tocht was zwaar maar zeker te doen. De meegenomen documentatie beschreef redelijk de aangetroffen situatie. Ik heb -incidenteel- leuke ontmoetingen gehad maar verder was het weer heel erg eenzaam. Het weer in Spanje was in april en mei langdurig hevig van slag af. Op 1 mei werd er voor een paar dagen in de hoek waar ik mij ophield sneeuw voorspeld. Dat moet in de bergen zijn, dacht ik toen nog. Niets was minder waar. Toen ik op 2 mei rond half 7 in "La Gudina" naar buiten keek sneeuwde het en het zicht was 10 meter. Tenminste één dag nog maar wellicht nog twee dagen werd er sneeuw verwacht in deze streek die op 1100 meter hoogte ligt. Twee à drie dagen oponthoud in "the middle of nowhere" is niet aantrekkelijk. Alternatief was ca 96 km langs de "oude" N525 lopen over vooral asfalt naar Ourense. Per openbaar vervoer naar bijvoorbeeld Ourense was geen alternatief omdat ik gekomen was om te lopen. Het viel mij niet zwaar om te besluiten om voor de tweede keer te stoppen. Ik had nu 805 kilometer van de 1000 km afgelegd van de Via de la Plata. Er resten nog slechts 195 km.......
Samenvatting Joop’s Vía de la Plata Etappe 3 in 2001
|
O |
p een mooie dag in mei heb ik een wandeling gemaakt naar Oud Beijerland om Fréderique te bezoeken en om foto’s op te halen. Op de terugweg bezocht ik het clubhuis van Hoekschewaards Landschap en ik vertelde aan Merijn van mijn bevindingen. Bij Merijn vond ik een willig oor en veel begrip want zelf is hij een echte Santiago-ganger en had hij ook te maken met een recentelijk onvoltooide tocht naar Santiago. Op zijn vraag: “Wanneer maak je het nu af?” antwoordde ik gekscherend: “Als jij mee gaat binnen een paar weken”. Beiden lachten we erom. Na een paar dagen nam Joke de telefoon aan. Merijn aan de bel. Ik was niet thuis maar nadat het contact was gelegd bood Merijn aan om mee te gaan naar Spanje om de zaak af te maken. De verrassing was maximaal omdat ik de gemaakte opmerking in feite al was vergeten omdat deze eigenlijk niet echt serieus was bedoeld. Daarnaast kende ik Merijn alleen van een enkele ontmoeting tijdens de Oeverloop. Afspraken zijn gemaakt en verlof is geregeld met de achterban. Ik zorgde voor de buskaartjes dat niet geheel soepel liep omdat in eerste instantie een retourticket was toegezegd en in tweede instantie werden het twee enkele reizen. In derde instantie kregen we toch het retourticket dat uiteindelijk 25% goedkoper was. Op 7 juli stapten we in de bus naar A Gudiña en uiteindelijk bereikten we op 18 juli El Faro, het einde van de oude wereld nabij het stadje Kaap Finisterre.
Ultreya e Suseya, Westwaards en Hou Vol !
Het is Volbracht!
|
S |
antiago de Compostela is een stad in het noordwesten
van Spanje en vormt met Jeruzalem en Rome de belangrijkste christelijke
bedevaartsoorden.
De geschiedenis van de pelgrimage naar Compostela gaat heel ver terug. De
symbolen van de Camino, de St. Jacobsschelp en het zwaardkruis (de lagarto)
duiden op een niet christelijke vruchtbaarheidsrite. Al voor onze christelijke
jaartelling marcheerden Romeinse legioenen naar Fi(ni)sterre, 'het eind van de
wereld', naar de kust van de dood om daar de zon in de onderwereld te zien
wegzakken.
Ook nu nog lopen de 'hardcore' pelgrims door naar deze plaats aan de kust. En
nog steeds wordt door hen bij zonsondergang het eeuwenoud Keltisch ritueel van
water, vuur en aarde uitgevoerd.
St. Jacobus:
Legende en Tradities
Sint Jacobus, Jacobus de Meerdere of Santiago is de nationale heilige van
Spanje. Hij geldt als een van belangrijkste apostelen. Maar ondanks zijn
belangrijke status is er in de Bijbel weinig over hem te vinden. Buiten Spanje
is hij voornamelijk bekend vanwege de pelgrimage. Zijn symbolen zijn de Sint
Jacobsschelp en het zwaardkruis.
Er zijn aanwijzingen, dat de traditie van de pelgrimage naar de plek, waar
Santiago begraven zou zijn, veel ouder is dan de christelijke geschiedenis.
Vooral de plaats Fisterre, Finisterre of het eind van de wereld, duikt op als
de magische plek waar de wereld ophoudt en de onderwereld begint. Het ligt aan
de kust, die ook wel de kust van de dood genoemd wordt. Nu vanwege de grote
kans op schipbreuk, toen om een andere reden.
Het is veilig om te beweren, dat Santiago in
oorsprong niet christelijk was. De meeste christelijke tradities zijn ouder
dan het christendom. In voorchristelijke tijden was het altijd al traditie om
op bepaalde tijden in het jaar de stamgod rond te dragen. Meestal gebeurde dit
in jaargetijden die belangrijk waren voor de oogst of vruchtbaarheid. Deze
gewoonte vindt zijn navolging nog steeds in de vele christelijke processies in
het voor- en najaar.
Ook andere tradities in Spanje zijn direct te herleiden naar deze
vruchtbaarheidsriten. Het meest in het oog springend is de nationale sport;
het stierenvechten. Maar ook een feest als Sanfermin in Pamplona; het rennen
voor de stieren.
Maar er ook andere bronnen verhalen over de traditie van de pelgrimage. Van de Romeinse legioenen van Caixus Brutus wordt verteld dat ze naar Fisterre zijn gemarcheerd. Vanaf de kaap hebben zij vol ontzag de zon gezien, die langzaam in de onderwereld wegzakte. Ongetwijfeld zullen ook zij de oude Keltische riten van aarde, water en vuur hebben uitgevoerd. Hierbij wordt het haar geknipt, wordt in de zee gebaad en wordt iets persoonlijks uit hun verleden verbrand bij zonsondergang. Dit alles wordt vandaag de dag nog steeds door sommige pelgrims gedaan.
De legionairs aanbaden de zwaardgod Mithras en kenden de Egyptische Serapis, de grote genezer die ook weer Jupiter en dus Pluto de onderwereldgod was. In de voorchristelijke geschiedenis waren er diverse goden verbonden met de pelgrimage naar Finisterre. Zij waren bekend onder andere namen als dondergod, gids en beschermer door het dodenrijk. Functies die nu Santiago, zij het onder de christelijke naam, nog steeds vervult.
Spanje, vanaf de Romeinen tot de middeleeuwen:
Vanaf 218 v.C. was Spanje 5 eeuwen lang in handen van de Romeinen, die in het hele land veel wegen aanlegden, steden bouwden en cultuurschatten achterlieten. Hierna namen de Visigoten de macht over. De Visigoten werden vervolgens door de Arabieren naar het noorden gedreven. Dit had tot gevolg dat de moslimcultuur in grote delen van Spanje vaste grond onder de voeten kreeg. De Arabische architectuur in Zuid-Spanje herinnert nog aan deze periode. Gedurende de Middeleeuwen nam in Spanje de invloed van het christendom toe. De Middeleeuwen stonden ook in het teken van de Reconquista, de tegenhanger van de islamitische Jihad (heilige oorlog). Deze periode bracht vele helden en architectonische hoogstandjes voort. Bovendien betekende het de definitieve doorbraak van het christendom. In 1492 veroverde het echtpaar Ferdinand (koning van Aragon) en Isabella (koningin van Castillië) het laatste moslimbolwerk, Granada. In datzelfde jaar ontdekte Columbus Amerika. Deze reis was door Castillië gefinancierd. Tevens nam in 1492 de Spaanse Gouden Eeuw een aanvang toen het land het centrum van het Habsburgse rijk onder leiding van Karel V was.
De symbolen
Het meest in het oog springend symbool van
de pelgrimage naar Santiago de Compostela is de Sint Jacobsschelp. Deze wordt
gebruikt als voornaamste ornament op alle gebouwen langs de Camino. Nu is de
schelp ook het symbool voor het vrouwelijk geslachtsdeel en is bekend als
symbool van geboorte of wedergeboorte. Het is daarom dat Venus hieruit
opstijgt in het schilderij 'De Geboorte van Venus' van Botticelli. Het is een
symbool van een voorchristelijke vruchtbaarheidsrite, dat net als zoveel
heidense symbolen en riten door de katholieke kerk zijn overgenomen. Om dit
symbool over te nemen moest Santiago, volgens de legende, iemand terug doen
komen van de dood. Iets wat Santiago in de geest van zijn heidense alter-ego
wel diverse malen doet. Dit keer redde hij een ruiter die verdronken was in
zee. Toen deze terugkwam uit de zee was hij overdekt met de schelpen. Via deze
constructie werd de schelp toch het symbool van pelgrimage naar Galicië.
Ook het andere symbool van Santiago het zwaardkruis, bekend onder zijn
voorchristelijke naam Lagarto of hagedis, verbonden met
vruchtbaarheid en van kuisheid.
Uit al deze niet-christelijke symbolen en mythen is Santiago en de pelgrimage ontstaan. Hij is nog steeds de heilige beschermer die te paard zijn gelovigen beschermt. De pelgrimage is nog steeds een reis naar persoonlijke inzicht. De reis die nog steeds een metafoor is voor het leven. Santiago is nog steeds de gids, die op het eind van de reis op de pelgrim wacht.
St. Jacobus en de
Bijbel
In het algemeen wordt geloofd dat de Sint Jacob, Santiago, in Spanje gepreekt
heeft. Hier zou de Maagd van de Zuil aan hem verschenen zijn. Hij was een van
de apostelen en had samen met zijn broer de bijnaam Boanerges (Zonen van de
Donder). Op zijn terugkeer in Palestina werd hij door Herodus Agrippa
onthoofd. Zijn volgelingen namen zijn lichaam mee via de haven Joppa naar
Galicie, waar ze hem aan de voet van de Libredon begroeven. Als gevolg van
oorlogen en ontvolking raakte deze christelijke bedevaartsplaats vergetelheid.
(naar: Irieense Kronieken)
Samen met zijn broer Johannes en met Petrus vormt Jacob de Meerdere de top drie van de apostelen. Hij was aanwezig bij de gedaanteverwisseling, toen Jezus in een kolom van licht veranderde. Hij was in Getsemane toen Jezus vroeg om "de beker aan hem voorbij te laten gaan..".
Jacobus en zijn broer Johannes waren de twee onafscheidelijke neefjes van Christus. Hun vader Zebedee was getrouwd met Salome, de zus van de maagd Maria. Zij had geld en was een van de sponsors van Christus. Zij was de geldschietster van het laatste avondmaal. Met haar vraag om haar zonen een goede plek te geven in het Hemelse rijk komt ze over als zo'n typisch ambitieuze moeder, die voortdurend probeert haar zonen in de schijnwerpers te zetten.
Ook niet echt gunstig is het beeld dat de
bijbel van Jacobus en zijn broertje schetst. Op een bepaald moment, als
Christus geconfronteerd wordt met een stel sceptici, roepen de twee om het
hardst dat ze op zijn bevel hen wel eens met hemelvuur zullen vernietigen.
(Lucas 9:5) Jezus antwoordt hierop dat hij niet gekomen is om "mensenlevens te
vernietigen, maar om ze te redden." Het is na deze gebeurtenis, dat Jezus hen
de Donderzonen, Boanerges, noemt.
Met enig ironie waarschijnlijk, het wordt tenslotte gezegd door dezelfde
persoon, die ooit op een bruiloft alle water in wijn veranderde.
Een andere keer nemen ze Jezus apart om zich
te verzekeren van de beste plekjes in de hemel. Ze willen links en rechts van
hem zitten. (Marcus10:38) Het sarcasme van zijn vraag: "Kunt gij dan uit mijn
beker drinken?" ontgaat hen, als ze antwoorden: "Kunnen we!"
Jezus redt de situatie door te zeggen, dat het niet aan hem is om die plaatsen
te vergeven.
De andere apostelen waren niet echt dol op de twee. Ze waren de neefjes van Jezus. Hun moeder had geld. En ze waren echte strooplikkers. Maar als de apostelen dus horen wat de neefjes nu weer hebben geprobeerd zakt hun toch al niet zo geweldige populariteit naar een nieuw dieptepunt.(Marcus 10:41)
St. Jacobus en
Galicië
Santiago de Compostela ligt in Galicië in het Noordwesten van Spanje. Door het
regenachtige klimaat en weelderig groene landschap doet het meer aan Ierland,
Bretagne of de Hebriden denken dan aan Spanje. Het landschap heeft ook
dezelfde mystiek. De inwoners zijn van Keltische komaf. Het is een hardwerkend
en ondernemend volk, dat zowel figuren als Franco als ook Fidel Castro heeft
voortgebracht. En net als hun Keltische broedervolken spelen ze doedelzak en
drinken ze appelcider. De stam van de naam Galicië is dezelfde als van
Wales(Gales) of het Iers, Gaelic.
Galicië is het enige gebied in Spanje wat nooit bezet is geweest door de
Moren. En het is ook vanuit hier dat de Reconquista, de herovering van Spanje
door de christenen op de Moren, is begonnen.
De Pelgrims
Te vaak neem je beslissingen in dit leven, waar je maar gedeeltelijk achter
staat. En ook in de beslissingen, die hieruit volgen, kun je je maar
gedeeltelijk vinden. Hieruit volgen dan weer andere beslissingen waarin je je
zelf niet meer vindt. Totdat je op een dag wakker wordt en je jezelf niet meer
kunt vinden. Dan pak je de spullen die belangrijk zijn en je gaat op weg.
Totdat je jezelf weer tegen komt. En dan spreek je jezelf eens streng toe.
(Aboriginal verklaring voor de Walkabout))
Een pelgrimage is een tocht naar een plek van spiritueel belang met de bedoeling om inzicht te verwerven. Niet het einddoel, maar de weg ernaar toe, is hiervoor de manier.
De moderne pelgrim lijkt een contradictie; een anachronisme. Een verouderd symbool uit een halfvergeten tijd. Maar het idee gaat klaarblijkelijk dieper. Elke tijdsperiode, elke cultuur en elke godsdienst op deze aarde is bekend met het idee van de pelgrimage.
Het pelgrim-zijn wordt aanvaard als een fase in het leven. Een fase zoals andere stadia in het leven: die van kind, leerling, krijger, echtgenoot en vader/moeder. Het is de fase, waarin al het door de jaren heen vergaarde materiële opzij geschoven wordt voor inzicht over het leven en de dood; van oudsher het terrein van de religie.
In de christelijke wereld werden pelgrims vernoemd naar de drie belangrijkste plaatsen van pelgrimage: Romer voor hen die naar Rome gingen en Palmeiri voor degenen die naar Jeruzalem gingen. Degenen die naar de Tombe van Heilige Jacob in Compostela gingen werden Peregrinos genoemd. Letterlijk: 'zij die door het veld gaan'.
Ooit was het de pelgrim, die onbekend was
met het land, waar hij doorheen trok.
Nu zijn 't het land en zijn bewoners, die onbekend zijn met het begrip van
pelgrim.
Kaarten en gidsen houden de moderne pelgrim op de goede weg. De palster, de pelgrimsstaf, is vervangen door de telescopische wandelstok uit ruimtevaartmetaal. Kunststoffen houden de pelgrim droger, koeler en warmer dan de pelgrim uit de middeleeuwen kon zichvoorstellen. Wat blijft is de pelgrim en zijn weg, de Camino. Een weg, die niemand anders, dan de pelgrim kan gaan. Maar de weg, de Camino, is gebleven.
Ultreya e Suseya, Westwaarts en Houdt Vol
Elk jaar gaan vele duizenden pelgrims op weg naar Santiago de Compostela. Zowel te voet, te paard als op de fiets wordt op weg gegaan. Dit zijn door de katholieke kerk erkende manieren van pelgrimage. Om zich te kwalificeren als pelgrim moet op zijn minst 100 km te voet of 200 km te paard of op de fiets worden afgelegd.
Veruit de meeste pelgrims lopen alleen de vereiste honderd kilometer. Dit zijn bijna allemaal echte gelovigen. Zij beginnen meestal in Ponteferrada. Dit geeft hen dan recht op een Compostela. En dat geeft op zijn beurt weer recht op strafvermindering na de dood.
Anderen beginnen hun pelgrimsweg vanaf de franse Pyreneeën in St. Jean Pied-de-Port of in de Spaanse Pyreneeën bij de Abdij van Roncesvalles. Ze maken gebruik van het uitstekende net van refugio's en volgen de befaamde gele pijlen, die de route markeren. Als ze alles, de volle 800 kilometer, lopen, kan Santiago de Compostela in ongeveer 4 weken worden bereikt. Sommige pelgrims lopen alleen gedeeltes of slaan gedeeltes van de Camino over. Dit wordt trampa genoemd.
Een tot de verbeelding sprekende groep zijn de lange afstandswandelaars. Zij vertrekken net als de pelgrims van vroeger te voet vanuit hun woonplaats. Voor langere tijd laten zij de vertrouwdheid en de gemakken van thuis achter zich. Geen kranten, radio of televisie en alleen zichzelf als gezelschap.
Net als de pelgrims van toen ervaren zij de ontberingen. Niet alleen de vanzelfsprekende fysieke, maar ook de geestelijke ongemakken zoals eenzaamheid en gevoelens van uitzichtloosheid.
Het Heilig Jaar
Een jaar is een Heilig Jaar, wanneer de naamdag van de apostel St. Jacob op een zondag valt. Dit gebeurt elke 6-5-6 en 11 jaar. In het tweede millennium was 1999 het laatste jaar. In een Heilig Jaar kunnen alle pelgrims, die door de deur van de kathedraal gaan, rekenen op een volle aflaat. Hiermee worden alle zonden vergeven. Opmerkelijk is dat het Heilig Jaar van Jacobus door Calixtus is ingesteld. Het is dus ouder dan dat van het heilig Jaar van Rome. Verder wordt dit Heilige Jaar bevestigd in de pauselijke bul 'Regis Aeterni' uit 1179 van Paus Alexander III.
De Vía de la Plata.
De Vía de La Plata of Ruta de la Plata doorkruist West-Spanje van zuid naar noord. Deze route wordt ook wel de Mozarabische Pelgrimsweg genoemd omdat ze eeuwenlang gebruikt werd door de Christenen uit de Moorse gebieden van “Al Andalus”. Vanuit Sevilla voert een tocht van 738 km door de regio’s Andalucia, Extremadura en Castilla Y Leon naar het noordelijk gelegen Astorga, waar deze route aansluit op de Camino Francés.. Een klein deel van de Ruta loopt langs de N630 maar meestal stapt men in de voetssporen van de Romeinse legioenen over de resten van de grote heirweg van Mérida naar Astorga. Langs deze stukken vindt men geen grote panelen met “Iter ab Emerita Asturicam” maar men vindt er nog wel de Romeinse mijlpalen. Sommigen staan al 2000 jaar op precies dezelfde plek! Een groot deel van de Ruta loopt over de Cañada, de veetrek-weg waarlangs de herders uit de Extremadura met hun kuddes op hun tocht naar de Leonse bergen langs kwamen.
|
De miliario
Miliario’s zijn Romeinse mijlpalen die op een onderlinge afstand van een Romeinse mijl geplaatst waren en waarin stond gebeiteld wie de bijbehorende weg had aangelegd en wat de afstand was naar de plaats van bestemming. Een Romeinse mijl werd bepaald door 1.000 (mil) soldaten naast elkaar op een rij te zetten met hun armen wijd op zo’n manier dat hun vingertoppen elkaar net raakten. Een Romeinse mijl had een lengte van ongeveer 1.500 meter |
De Vía de la Plata, zoals wij die als moderne pelgrim heden ten dage kennen, is een route die in 1990 weer herontdekt is en die vanaf 1991 gedocumenteerd en gemarkeerd is. Men vindt er dan ook weinig refugio’s en degenen die er zijn, zijn zeer bescheiden (of nog minder) voorzien van wat dan ook maar. Men moet het voornamelijk doen met hostals en pensions.
Na 638 km vanaf Sevilla heeft men in Granja de Moreruela de keuze om door te lopen naar Astorga en daar de Camino Real Francés op te pikken of nu al af te buigen naar het westen en dan via Ourense verder te gaan naar Santiago. Deze westelijke route vanaf Zamora tot Santiago wordt ook wel de Camino Mozárabe genoemd. Het is een prachtige route die ik iedereen kan aanbevelen.
D |
e nacht van zaterdag op zondag verliep al een beetje anders dan gebruikelijk. Joke lag maar te draaien en te waken want die wilde er als eerste uit zijn om voor het ontbijt te zorgen. Het gevolg was een onrustige nacht voor beide echtlieden. Uiteindelijk werd Joke om halfnegen wakker en ging voor het “ Pelgrims ontbijt” zorgen, het ontbijt met tenminste een gekookt ei waarover Joop de avond tevoren gekscherend een opmerking over maakte. Fréderique kwam rond negen uur eveneens naar beneden en zo werd het toch nog heel gezellig.
Wonderlijk genoeg heb ik last van nervositeit, iets wat mij in feite geheel vreemd is. Een aantal mensen belden om nog even afscheid te nemen en goede wensen voor de tocht mee te geven. Voordat zij naar hun ouders gingen kwamen Cor en Hennie nog even langs, zo ook Cees en Ger. Hanneke belde nog met de allerbeste wensen, zo ook Arie en Marianne. Zo kabbelde de ochtend voort onder het genot van een eigen gebakken appeltaart. Inmiddels bleek uit de mededeling op teletekst dat de vlucht een vertraging zou hebben van ongeveer twee uren. Dat kwam slecht uit want er was gepland dat er om ongeveer 19.00 uur in Sevilla geland zou worden, nu werd dat 21.00 uur. Om halféén ging het richting Haarlem, naar Rik en Ingeborg. Onderweg is op Schiphol het ticket opgehaald dat daar nog lag omdat de reis door Joke telefonisch was geregeld. Op Schiphol moest ik bij de balie van Transavia nog wel even de VISA creditcard laten zien onder welk nummer het ticket was besteld. Tussen neus en lippen werd tevens gemeld dat er twee uur vertraging was te verwachten.
Bij Ingeborg en Rik hebben we nog een poosje in de tuin gezeten en een heerlijk gebakje gegeten en vervolgens ben ik naar Schiphol gebracht door Joke en Ingeborg. Ten afscheid is er nog even een act met de draaideur opgevoerd en weg was ik. Bij de balie van Transavia werd de in een grote zware plastic zak verpakte rugzak aangeboden. Ter genoegdoening van de vertraging werd een consumptiebon uitgedeeld voor één gratis drankje. Dank U!
Het wachten op Schiphol duurt altijd lang. Dat was nu ook zo.
Uiteindelijk konden we aan boord. Ik zat naast een Spanjaard die al lange tijd in Nederland werkt en nu als voorman werkt bij Raak, het bedrijf dat limonade maakt. Uiteraard gebruiken zij grote hoeveelheden Suiker Unie suiker.
Tot halverwege boven Spanje was het een rustige vlucht. Toen kwamen we in een onweersbui terecht met wind en regen. Met een taxi ging het naar het centrum van de stad. Ik had de chauffeur uitgelegd dat ik een goedkoop hotel wilde hebben. Nu dat wist hij wel te vinden. Redelijk goedkoop en dicht bij de kathedraal. Het werd hotel Marian. De glazen deur was op slot en Marian zelf kwam sloffend de grendels wegschuiven. Heeft U nog een kamer vrij? Een kamer? Ik zal eens even voor U kijken. Het hele leven blijkt te bestaan uit theater. Het hotel was niet goedkoop maar het regende en het was al aardig laat dus neem je het. Ongeveer 10 minuten later stond de taxichauffeur weer in de lounge om zijn bonus op te halen. Uiteindelijk was de taxi dus te duur en was het hotel te duur maar ga maar eens in discussie in een taal die je niet machtig bent Er zal beter opgelet moeten worden anders is het beschikbare budget binnen een week op!
Nog even naar buiten om te kijken waar de kathedraal is. Je raakt gauw verdwaald in Sevilla met al die kleine en nauwe straatjes. De kathedraal was te ver weg en bovendien kon ik zo laat in de avond de kleine lettertjes op de plattegrond niet meer lezen. Dan maar een biertje. In een straat haaks op de straat van het hotel bevond zich een cervezeria, een bierwinkel. Dat kwam goed uit. Een piepklein zaakje met een weggeschoven voorgeveltje. In de winkel konden maximaal 10 personen een staanplaats vinden. De meesten stonden daarom ook buiten rond een vijftal tafeltjes. Een oudere dame deed niets anders dan glazen bier vullen. De jonge man ventte ze uit met een hoge snelheid. Dapper stelde ik mij op tussen de mede Europeanen. Tot slot is er een geldautomaat uitgeprobeerd om zeker te stellen dat het pinnen hier in Spanje zal lukken.Terug in het hotel is het een komen en gaan van mensen die vaak op een vergelijkbare manier als ik worden afgezet.
|
Sevilla
Deze eeuwen oude stad, de hoofdstad van de huidige regio Andalucia, werd gesticht door een Fenicische handelaar. Gedurende zijn lange geschiedenis kende de stad verschillende bezetters die allen hun sporen nalieten: Romeinen, Vandalen, Gothen en Moren. In 1248 werd Sevilla op de Moren heroverd door koning Ferdinand III, de Heilige. Sevilla bezit talloze monumenten.
Catedral de Santa Maria
Catedral de Santa Maria is de derde grootste kathedraal van de wereld. Op deze plaats bevond zich oorspronkelijk een Wisigothische kerk, in 1172 werd hier een moskee gebouwd en die werd in 1248, na de Reconquista, een katholieke kerk. In 1401 werd begonnen met de bouw van de huidige gotische kathedraal. Het werk duurde meer dan 100 jaar en het resultaat werd de grootste gotische kerk ooit gebouwd. Van de oorspronkelijke Moskee bleven de Minaret, de "Patio de los Naranjos" en de "Puerta del Perdón" bewaard. Binnenin de kathedraal bevindt zich het XIXe eeuwse praalgraf van Colón ofwel de ons bekende Columbus. Bij de bouw werd heel wat materiaal uit de verlaten Romeinse stad ltalica gebruikt.
|
Maandag 10 april, Sevilla – Guillena, 23 km
O |
m halfzeven ben ik al wakker. Wat te doen? Nog maar even blijven liggen. Tegen de ochtend kou is nog even een T-shirt aangeschoten en pas om halfacht was het reveille. Om 09.00 uur pas kan ik in de kathedraal terecht volgens de aan mij verstrekte informatie. De rugzak wordt ingepakt. De tube tandpasta en een tube met zalf worden beide half leeg geknepen in het toilet. Dat scheelt weer 100 gram sjouwen. Beneden in de foyer van het hotel was geen ontbijt verkrijgbaar. Dan maar afrekenen. Het was Pts 9.500 en dat was erg veel. Aan de hand van de plattegrond van Sevilla ging het richting kathedraal. Onderweg, in een soort boekwinkel, zijn een paar ansichtkaarten van Sevilla gekocht. Postzegels had deze baas niet. De kathedraal was snel gevonden. Op de hoek is nog even een croissantje en een zoet broodje genuttigd. In de kerk werd volop gerenoveerd. Ik wist van Jack dat ik in een soort luxe portocabin moest zijn en deze was snel gevonden. Netjes kloppen en voorzichtig naar binnen want de baas op leeftijd die er in pleegt te verblijven is nogal nukkig was mij medegedeeld. Netjes werd hem uitgelegd waarvoor ik kwam en ik heb hem een brief gegeven met het briefhoofd van het Genootschap van Sint Jacob waarin de uitnodiging staat voor een jaarvergadering. Ik wist dat je een aanbevelingsbrief moest kunnen overleggen en aangezien deze eerwaarde eikel toch geen Nederlands kan lezen trapte hij erin en kreeg ik de felbegeerde Credential van Sevilla maar niet nadat ik eerst een belangrijk formulier had ingevuld. Er kon nog wel een stempel op de Credential vanaf, in het dagboek van Joop werd uitdrukkelijk niet gestempeld. Dat wees hij gedecideerd af. Een aangeboden gele sticker van het Genootschap vond hij ook maar niks. Ik bleef gewoon zitten en schreef op mijn gemak nog een paar namen over van de verschillende aanwezige formulieren van eerdere pelgrims in het opschrijfboekje. De eikel werd vriendelijk bedankt. De kerk werd bekeken maar toen ik een fototoestel tevoorschijn haalde ontstond er een hoop herrie over dat kleinood. Dat is allemaal niet zo gastvrij dus snel stond de Puttershoekse pelgrim weer buiten op de stoep. Via het boekje van Freddy Du Seuil vond ik makkelijk de juiste richting en dus ook de noodzakelijke brug van Isabel. Deze brug vormt in feite de start van de Ruta want hier staat de eerste gele pijl geschilderd
|
Puente de Triana
Deze (voetgangers)brug, ook wel de Isabel II brug genoemd, ligt op de plaats van een XIIe eeuwse scheepsbrug over de Guadalquivir. De gietijzeren brug is ontworpen door Franse ingenieurs naar het model van Parijse Seinebruggen.
|
Het is niet te geloven maar ineens waren zij daar: “ Las Flechas Amarillas” of wel de gele pijlen, losjes uit de hand getrokken, niet al te groot en niet te opvallend maar voor de pelgrim herkenbaar en juist op die plaatsen aangebracht waar je ze zou verwachten.
Het is alsof je een goede vriend ontmoet. Het is één van de mysteries van de Camino dat je je zonder terughoudendheid overgeeft aan de aanwijzingen van wildvreemde mensen in een vreemd land en waarvan je weet dat die aanwijzingen je feilloos naar het doel leiden. Nooit heb ik ontdekt dat er met deze pijlen “geknoeid” is waardoor een foute aanwijzing wordt gegeven. Aan de rand van de Trianawijk is een flesje water en brood gekocht voor onderweg.
Op de brug bij het Expo terrein is een korte stop gehouden en het overhemd ging uit. Er staat een aangenaam briesje en het is half bewolkt. Kortom, ideaal wandelweer.
De beschrijving in het boek van Freddy is lastig te volgen. Dat is niet zo verwonderlijk als men de situatie ter plaatse aan de buitenrand van Sevilla kent. Het is enerzijds één grote bende van allerlei niet afgemaakte bouwsels en van vuilnis. Hier in Spanje kent men geen asbest probleem. Tientallen tonnen Eterniet afval (= asbestcement) ligt hier gewoon in grote en kleine brokken open en bloot in de wind. Er wordt fors aan de wegen naar de omliggende dorpjes gewerkt en dus lag alles open. In Camas is een telefoonkaart en zijn er 20 postzegels gekocht. Een ezel met zijn rug vol met kannen en kruiken stond op straat geduldig te wachten. Zijn baas zat in de kroeg. In een bar is een bocadillo jamon gekocht met daarbij een kop koffie. Dat is goed uit te houden. De mooie ballpoint viel daar op de grond en de punt was beschadigd. Dat gaat goed zo maar gelukkig is er nog een reserve pen. In Santiponce is zonder er een bezoek aan te brengen het Romeinse theater gepasseerd en een stukje verder bleek dat Romeinse site “ Italica” op maandag gesloten was. Jammer.
|
Italica
Italica werd gesticht in 206 a. C. door P.C. Scipio voor de veteranen uit de Tweede Punische Oorlog. Het was de eerste kolonie van Romeinse burgers op het Iberisch Schiereiland. De stad kreeg een zeker belang in de keizerlijke periode. Hier werd keizer Trajanus geboren en keizer Hadrianus bracht er zijn jeugd door. Italica bestaat uit twee verschillende delen, de Vetus urbs of oude stad die zich nu onder Santiponche bevindt en de Nova urbs of nieuwe stad, uitgebouwd door keizer Hadrianus. Deze laatste kende zijn bloeiperiode van de IIe tot IIIe eeuw en vormt het archeologische park Italica, resultaat van opgravingen die begonnen in 1781. De stad had een oppervlakte van ongeveer 30 ha en werd doorkruist door brede lanen, waarlangs grote huizen stonden. Van verschillende huizen bleven de mozaïekvloeren bewaard en de afbeeldingen gaven de namen aan de huizen. De stad was omringd door een muur waarvan resten teruggevonden werden en een poort bewaard bleef. Een aquaduct bracht het water naar de huizen en naar de twee grote badhuizen. Indrukwekkend is het amfitheater, met 25.000 zitplaatsen, een der grootste uit de Romeinse tijd. De arena en een gedeelte van de tribunes bleven bewaard.
|
Van iemand die bij de ingang rondhing kreeg ik nog wel een folder mee.
Al snel zat ik midden in de velden. Hoog in de lucht dreven grote roofvogels op de thermiek en soms stonden ze volkomen stil in de lucht. Een aangegeven zeer vochtig pad dwong mij tot het maken van enige capriolen en prompt viel de juist gekochte fles mineraalwater midden in een modderpoel. Dat was goed balen. De sluiting van de rugzak schiet steeds maar open. Dat gaat ook al niet goed. Op een droge plek is een korte stop gehouden, is de Romeinse folder in een plas water gewaaid, is de wandelstok tevoorschijn gehaald, zijn een drietal kaarten geschreven en is een schaafwond aan de pols opgelopen doordat er een stuk steen afbrak terwijl ik er op leunde. Pleisters gaven hier tijdelijk uitkomst. Het pad is blijvend zompig. Regelmatig moeten kluiten modder van de zolen worden geschraapt. Op enig moment wordt een oude spoordijk gevolgd. Een minstens 3 meter brede beek moet worden overgestoken en dat gaat niet zomaar. Een stukje verder op ligt, half onder water, een bundel plastic schrootjes in de beek en met de moed der wanhoop wordt deze loopplank eenmalig “uitgeprobeerd”. Met nog juist droge voeten beland ik aan de overkant. Op handen en voeten wordt het twee meter hoge steile talud beklommen. Eigenlijk is het best handig dat die Spanjaarden hun rommel overal maar dumpen. Hierdoor heb ik toch nog maar mooi droge voeten gehouden. De weg is lang en voert langs landerijen waar tuinbouw wordt bedreven. Er wordt veel aan waterhuishouding gedaan gezien de vele betonnen en kunststof goten die langs de weg staan. Na een rivierbedding en een afgraving wordt er op een omgevallen boom even gerust en worden foto’s gemaakt. De boom blijkt onder de schors vol te zitten met pissebedden en kevers. ’t Is nog wel even wennen. Uit een sinaasappelplantage is een verse citrusvrucht ontvreemd die er achteraf raar uitzag een gepukkelde en zeer dikke schil had en absoluut niet smaakte. Wat ze daar verder mee moeten is mij niet duidelijk. Het water in de bidon dat in Sevilla was getapt is sterk gechloord en is niet te drinken. Het is zeer warm en drukkend. In Guillena wordt Hostal Bar Francés snel gevonden. Er is inderdaad een kamer beschikbaar. De vrouw des huizes spreekt Frans. Er zijn 5 Duitsers voor mij op de Ruta, drie mannen en twee vrouwen. Ik ben benieuwd.
De Vía de la Plata of Ruta de la Plata
Er zijn verschillende boekjes in omloop die de route beschrijven. In de meeste boekjes worden namen genoemd van goedkope Hostals of Pensions. Het gevolg is dat met name deze adressen door de wandelaars worden bezocht en zo kan met informatie opdoen over eventuele andere lopers die een dag of wat eerder passeerden. Joop had twee boekjes van Jack de la Rie geleend en gefotokopieerd. Het boekje van Freddy Du Seuil en het Spaanse boekje Vìa de la Plata. In de praktijk heb ik in feite alleen het Belgische boekje gebruikt. Ondanks het feit dat het in 1998 werd uitgegeven, was het zeer bruikbaar en tenminste 95% van de informatie was nog exact conform de situatie in 2000.
|
Wat opvalt is de veelheid aan lotenverkopers op straat. Soms staan er wel drie verkoop kiosken naast elkaar van drie verschillende organisaties. Daarnaast worden de loten op allerlei plaatsen zoals openbare gelegenheden uitgevent. Alle werkende mensen zijn hier goed gekleed en iedereen heeft een gevulde documentenmap onder de arm. Veel mensen hebben een donker uiterlijk. Er is veel zigeuner invloed te zien.
De toegewezen kamer is piepklein. WC en douche zijn op de gang. Ik ben vergeten te vragen wat deze kamer kost. Eerst worden de kleren gewassen en het natte bundeltje wordt mee naar beneden genomen. Aan de zoon des huizes had ik immers gevraagd om een plek om dit te laten drogen en dat zag hij, in tegenstelling tot zijn moeder, wel zitten (met de wasdroger). Voor de deur van de kroeg heb ik mijn was zitten drogen en onderwijl is er een biertje genuttigd want lopen maakt dorstig. Bij het biertje werd een schoteltje “oliebonen”, half gaar gekookte witte bonen in een soort olie achtige vloeistof geserveerd als tapas. Het smaakte naar niks maar je blijft er wel van eten tot het schoteltje leeg is. De rest van de namiddag en vroege avond is zo lummelend, was draaiend en dagboek schrijvend doorgebracht, inclusief een dutje.
Volgens afspraak, om halfnegen, betrad ik de comedor, de eetzaal. Het licht was nog uit maar nadat dit was ontstoken stonden daar een zestal tuintafels met ieder vier witte plastic stoelen. Na een keuze gemaakt te hebben waar te zitten werd het menu opgesomd. Ik begreep er niet alles van maar in een adembenemend tempo verscheen daar eerst een salada mixta, vervolgens een bordje met koude gamba’s, daarna een runderschnitzel en bekertje yoghurt. Wijn ontbrak niet, evenals een fles kleurloos vocht wat geen water bleek te zijn maar een simpele, dunne gazeuse. De Spanjaarden verdunnen hier de slechte wijnen mee is mij later door iemand die er verstand van denkt te hebben, verzekerd. De schnitzel was nog niet op en de yoghurt stond er nog toen het meisje vroeg: “Café?”. Ho, ho dame, eerst even wachten. Straks neem ik koffie. Buiten is de telefooncel opgezocht en is er even met het thuisfront van gedachten gewisseld. Wat hier op straat opvalt is dat de jongelui, de jongens en meisjes tussen de twaalf en zestien, zo leuk met elkaar omgaan. Zo lopen in groepjes met elkaar te flaneren, staan met elkaar te praten enzovoorts. En er zijn nog heel wat kinderen op straat.
Nadat ik was teruggekeerd in de bar van het logement sprong de dochter des huizes alweer op m’n nek met de vraag: “Café?”. Ja meisje, het is nu tijd voor koffie èn een copa Carlos III brandy. Van deze laatste zat met name het bovenste deel van het glas nokvol. Het glaasje ijswater ontbrak niet aan dit geheel. De zeer ongezellig ingerichte zaak was voorzien van zo’n 200 al dan niet gesigneerde foto’s van stierenvechters, een twintigtal geprepareerde stierenoren en een viertal geprepareerde stierenstaarten. Aan de bar is het een rumoer van jewelste. Het valt op dat het vroeg donker is. Voor het naar bed gaan wordt alles afgerekend. Pts 3.500 ofwel f 45.- voor eten, drinken en slapen. Dat is niet verkeerd. Tussen de tenen wordt een blaartje aangetroffen. Dat moet een vergissing zijn!
E |
r is redelijk goed geslapen. Rond zes uur worden de medebewoners van het pand wakker en het is zeer gehorig. Tot zeven uur ben ik blijven liggen om daarna te gaan douchen in een bad met defecte kraan. Het toilet is niet voorzien van een WC bril. Dan zo maar. Beneden staan er 8 man aan de bar zeer hard te praten, sterke koffie te drinken en bijna iedereen drinkt daarin of erbij een sterk alcoholische versnapering. Brrrr. Het ontbijt bestaat uit een geroosterd broodje van de dag ervoor met boter uit het margarinekuipje plus een grote bak thee. Dit alles hoorde bij de gisteren reeds voldane rekening. Buiten en ook binnen is het (zeer) koud maar het is nog vroeg. Stempel gevraagd voor de Credential en nog een kop koffie genomen. De zeer vuile schoenen zijn buiten voor de deur aangetrokken wat aanleiding was voor verbaasde blikken van de aanwezigen. Van Jack wist ik nog dat het voor hem hier mis ging dus heb ik gekozen voor de “safe-way” en heb de eerste 3-4 km langs de carretera gelopen en ben zo de beruchte rivieroversteek van de Rivera de Huelva misgelopen omdat ik de brug nam.
Aangekomen in Venta de la Pradera bleek dat de weg geheel vernieuwd werd. Het was een rommeltje en de toegang tot het aangegeven pad lag half verscholen achter een stapel bouwmateriaal. De aanwijzing dat er langs een vliegveldje gelopen zou worden was hierin van cruciaal belang. Het eerste stuk is modderig. Na zo’n 500 meter staat daar ineens een fraai officieel bord met allerlei info over de Ruta de la Plata.
Het pad voert door een heuvelachtig gebied langs plantages met olijfbomen. Het is een prima pad. Gezien de verse voetafdrukken moet iemand mij recentelijk zijn voorgegaan. Ik ben benieuwd. De nieuwe pet wordt in gebruik genomen, de leeuweriken zingen het hoogste lied en gaan een competitie aan met de krekels. De rugzak draagt niet lekker, bovendien is deze hinderlijk zwaar. Ik moet spullen zien kwijt te raken. Daarnaast loop ik met het watertankje te worstelen. Na de plantages volgt een bos. Een half uurtje rust kan ervan af want het is deze dag een korte trip. De rugzak wordt hoger afgesteld. Rond twaalf uur is een lekker plekje gezocht voor de picknic. Na een uurtje ging het verder langs de sinaasappelplantages. Later werd het land wat leger. De bloemen staan hier in overvloed mooi te zijn. Op sommige percelen staan koeien of geiten. Op het pad staan veel plassen. Recentelijk moet het flink geregend hebben. Na de natuurwandeling volgt weer een stuk provinciale weg. Langs de weg is in de grasbaan een vaag spoor maar de voorkeur ging uit naar het asfalt. Aan de rand van Castilblanco staat een groot hotel waarvan ik wist dat het wat prijzig was. Iets verder staat een bord met de aankondiging dat hier een kantoor Info Turismo en dat er een refugio is. Dat is nog eens een binnenkomer. Ik stap op een deur af, open deze en stond in een soort schoolklas, compleet met leraar voor het bord en een twintigtal jonge vrouwen. Het Turismo kantoor bevindt zich op de eerste verdieping maar dat is voor de rest van de dag gesloten, de refugio is nog in aanbouw. Naast de refugio in aanbouw is een soort sociale werkplaats. Hier ben ik te woord gestaan door een dame die hier werkte…Schiet dus niet echt op. In het parkje bij Servantes ben ik even tot rust gekomen en ik ben vervolgens in het dorp op zoek gegaan naar signora Salvadora. Die bleek in de Avenida de España 43 te wonen. Een deurklopper klopte en een zeer katholieke dame verscheen breed glimlachend aan mij. Het doel van mijn komst was haar, en ook mij, duidelijk. Het hele huis was donker. Op allerlei tafels en kastjes stond allerlei al dan niet religieuze prullaria, spiegels, foto’s, beeldjes, noem het maar op.
De dochter des huizes die gelijkenis vertoont met Gloria Estefan gaat mij voor en laat alle met roze glanssatijn ingerichte slaapkamers zien. Ik mag kiezen want er is niemand anders. Joop kiest voor de roze ingerichte kamer. Gloria brengt een fles gekoeld water!!!! Dat is van grote klasse. In de badkamer is een piep klein raampje dat, geopend, toegang geeft naar de buitenlucht waar het zonnetje nog schijnt dus binnen enkele minuten hing de dagelijkse was al weer buiten. Later is de zaak verhangen naar het piep kleine balkonnetje aan de voorzijde van het huis. Na het wassen en het prikken van een klein blaartje werd het dorp verkend. Van de 10 bars waren er 9 dicht maar die ene was best gezellig. De barman had veel belangstelling voor zijn buitenlandse gast en serveerde bij ieder glas een schoteltje gekneusde olijven. De wegenatlas werd erbij gehaald om de route te bekijken en alles werd bestudeerd. Er is een broodje ham gegeten. Weer thuis gekomen is er een korte siësta gehouden. Het hele dorp was immers in absolute rust en ik wilde geen spelbreker zijn. Om half zeven zijn er diverse boodschappen gedaan voor de volgende dag. De kerk was gesloten maar het gemeentehuis was open en een stempel was gauw gezet op de Credential.
Omdat het dinsdag was, was Joke niet thuis en is er even met Fréderique gesproken. Er heeft een gesprek met een McBobo plaatsgevonden. ’s Avonds ging ik terug naar de eerder bezochte bar La Venta. Deze bar staat tegenover het “Monumento al Palmero”.
|
Monumento al Palmero
Op de Plaza Amarilla staat het “Monumento al Palmero” ofwel het monument voor de verkoper van palmtakken. Levensgroot staat er een palmverkoper en een ezel beladen met palmtakken uitgebeeld. Dit monument wil de herinnering levendig houden van de velen die hier in de jaren ’50 en ’60 hun brood verdienden met de verkoop van palmtakken |
Het blijkt dat het avondeten niet eerder dan om 21.00 uur geserveerd kan worden. Dat is geen probleem. Uiteindelijk wordt er bier – olijven – brood –water - 1/2 fles wijn van de Extramadura – soep - 2 visjes – tomaat – koffie - brandy genuttigd en genoten en dat voor een bedrag van Pts 850 ofwel circa Euro 4,50. In de bar werden de aanwezigen vermaakt door een mongool met een grote mond die al flink aan het bier gelikt had. De lachsalvo’s waren niet van de lucht.
Terug bij signora Salvadora is de familie nog welterusten gezegd. Allen zaten aan een ronde tafel met daaroverheen een zwaar tafelkleed dat tot op de grond reikte. Een paar mensen zaten met dat kleed over hun schoot. Het was een raar gezicht. Ik wist nog niet wat dat te betekenen had.
Woensdag 12 april, Castilblanco de los Arroyos – Almaden de la Plata, 29km
H |
alfzeven ben ik alweer wakker. Om halfacht was ik eruit. De één na grootste teen aan de rechter voet ziet er maar raar uit. Er zit bloed onder de nagel. Op bed zittend is er gegeten. Croissantje (oud) met yoghurt en koude koffie (Nescafé). Naar beneden. Is hier een postkantoor? Ja hoor, in deze straat, 100 meter verder. Eerst is de situatie ter plaatse verkend. Het postkantoor blijkt te bestaan uit een soort huiskamer kantoor, ondergebracht in de toegang van een bejaardenhuis. Om 10 voor negen stapte ik met slaapzak en slaapmat naar binnen. Een man kijkt verstoord op. Om negen uur gaan we pas open, sprak hij. Ikke niet begrijpen menier was mijn reactie. De vrouw was wel behulpzaam maar mocht (kon) niets zeggen. Deze man wilde niet meewerken want vanuit dit postkantoor kon geen pakje naar het buitenland worden verstuurd. Bovendien had hij geen dozen om de zaak in te verpakken. Terug. Gloria, de dochter des huizes, ontstak in woede. Zij zou het wel even regelen met Henrique. Terug naar het postkantoor. Discussie tussen de hardnekkig volhoudende man en emotionele, jonge vrouw. Het leverde niets op. Het pakket kon in Alcala del ???? worden aangeboden. Ik stelde aan Gloria voor om bij haar Pts 5.000 achter te laten en dat zij het een en ander later zou regelen. Ze wist een andere oplossing: haar broer. Maar eerst moest de zaak verpakt worden. Een doos werd uit de kast gehaald en gekeerd zodat er geen reclame opstond en vervolgens werd deze versneden. Twee dozen leverde dat op, met sporttape in elkaar gezet. De rol was gelijk op. Met de broer is naar Alcala del Rio Op 35 km afstand. De auto was wat gammel, de stoelvergrendeling was defect, de radio stond erg hard maar ik zou bevrijd worden van 2 kg bagage. In Alcala del Rio aangekomen werd pakketpost in eerste instantie geweigerd wegens te hoog gewicht. Nu mevrouw, je bekijkt het maar, maar deze pakjes gaan niet meer door de voordeur naar buiten. Zuchtend werden er twee kostbare postzegels van ieder Pts 2.200 opgeplakt en de terugreis van bijna 3 kwartier werd aangevangen. De broer van Gloria is broodbakker maar heeft niet iedere dag werk. Toen hij werd opgezocht lag hij dan ook gewoon in de vroege morgen op de bank te dweilen. Hem werd voor de bestrijding van de kosten Pts 2.000 aangeboden. Dat was te veel. Op de helft maakten we het af. In de strijd is er ook nog een goede ballpoint gebleven. Nu heb ik er nog maar één.
Afscheid werd er genomen van signora Salvadora en haar lieve dochter, het leven is één groot theatro en ik dacht dat ik via een kortere weg de gele pijlen van de Camino weer kon oppikken. Na ruim een kwartier liep ik, door de pijlen geleid, langs het huis van signora Salvadora en ook langs het postkantoor. Aan het einde van het dorp hield een zigeuner nog even zijn hand op. Zijn vrouw stond erbij, lachte naar mij en ik kon vaststellen dat de heer tijdens een discussie enige voortanden bij de vrouw grondig had verwijderd.
De weg was erg eentonig en zou geen enkel dorpje aandoen. De landerijen zijn zeer groot en deze worden begraasd door onwaarschijnlijk veel stieren. De dierenbescherming heeft hierop kennelijk nog geen invloed. Als er ergens geen stieren lopen, dan waren het zwarte varkens. Na 15 kilometers saaie weg kwam ik aan bij El Barrocal, een landgoed dat is opgewaardeerd tot een nationaal park waarvan in de route beschrijving staat dat het pad nog niet aansluit op de Ruta. Er stonden wel frisse gele pijlen getekend. Buiten het wachthok zonder ruiten heb ik schuilend tegen de wind zitten picknicken en is het overhemd aangetrokken. Een vrachtauto met bomen kwam vanaf het landgoed. Aan de chauffeur is gevraagd of het pad al doorloopt naar Almaden de la Plata. Nee, volgens de chauffeur niet. Een aantal dagen later trof ik mensen die dit schitterde pad WEL gelopen hebben. De aansluiting is dus inmiddels gerealiseerd. Naar verluid eindigt het pad door El Barrocal juist boven het dorp.
De asfalt weg was over vele kilometers gerenoveerd. Het gevolg was vele kilometers geen flechas. De twijfel begint dan onvermijdelijk te knagen. Gaat het in de goede richting of niet?
De weg voert vaker naar boven dan naar beneden maar alles gaat goed. Ook met de voeten en de knieën. Rond 15.00h begint het te spetteren. Vlak voor de eindbestemming is er een korte rust gehouden. Bij de Gardia Civil zijn diverse stempels gehaald en in een gigantische bar Concha is een kamer gereserveerd. Achter de ruimte van de bar was een stukje nieuwbouw met zeker 10 fraaie kamers. Deze waren rond een mooie patio aangelegd. Perfect! En dat voor Pts 2.000. De kleding was snel gewassen en hing aan de tralies voor het schuifraam. Alles is OK. Geen blaren. In de bar is gevraagd om te bellen naar een landgoed waar ik morgen overheen zou willen lopen. Geen probleem, het telefoonnummer had hij niet nodig want dat kende hij.
Vervolgens is het dorp verkend. Er zijn nogal wat hamfabrieken. Het blijkt dat ook in dit dorp de Jamon Iberico, de duurste ham van Spanje die wordt gemaakt van zwarte varkens die hun hele leven niets anders dan eikels van de steeneik hebben gegeten, wordt bereid! Vandaar.
Het eten werd een feest. Om 21.00 uur kon ik, als enige gast, kiezen uit een hele reeks bekende en onbekende gerechten. Het werd een runderstoofpot met grote stukken vlees in dikke saus. De patatten lagen eronder. Het was heerlijk. Er werd koffie toe met een copa brandy besteld. Deze laatste liet lang op zich wachten want het bleek achteraf dat deze IN de koffie zat. Dat proefde ik pas na de tweede slok. De ouders van de uitbater eten ook van tafeltje dekje mee.
|
Hostal Concha Marques e Hijos
De bar van dit hostal bestaat uit een ruimte van ca 10 x 20 meter. Aan het plafond hangen diverse TL bakken waarvan de helft slechts brand. Langs de bar is het een geweldige rommel op de grond want iedereen laat alles ter plaatse vallen. Langs de muur staan opgesteld: een schommelbootje voor de kinderen, twee computer speelautomaten, een Pts 100 automaat met verrassingsballen, een sigaretten automaat, een vrieskast met ijs, een grijper automaat met knuffelbeesten en diverse stapels tuinstoelen. Een groot TV scherm van 100 x 100 cm ontbreekt uiteraard niet. In de grote ruimte staan 6 tuintafels waarvan er vier zijn voorzien van stoelen. In de half open keuken staat o.a. een grillplaat. Op deze plaat staat een groot en zwaar strijkijzer als hulpmiddel bij de voedselbereiding
|
De TV stond luidruchtig aan. Er blijkt een videoband te draaien met stierenvecht hoogte – en dieptepunten. Een beroemde, inmiddels behoorlijk oude, toreador steekt in totaal vijf keer met zijn zwaard in de stier maar het zwaard ketst steeds maar af op het schouderblad. Hoon en fluitconcerten waren zijn deel. Uiteindelijk wordt de stier door de aanwezigen vermoord. Ik zit al etend uiteraard frontloge. Een drietal mannen zit met hun benen in de openhaard die brand en die de kille ruimte nog enigszins verwarmt. Een tiental anderen zit rond een tafeltje. Niet iedereen gebruikt een consumptie. Na het stierenvechten is het de beurt aan voetbal. Atletico Madrid tegen Barcelona is altijd goed voor veel misbaar van de aanwezigen..
De kleren zijn nog niet droog. Geprobeerd is om deze met de airco te drogen maar dat mislukt omdat er geen warme luchtknop op zit. “s Nachts is de was een aantal keren omgehangen.
Donderdag 13 april, Almaden de la Plata – Monesterio 38 km
V |
oor deze dag was een dubbele etappe gepland. De nacht was koud. De kleren zijn nog niet allemaal droog. Op de kamer is een eenvoudig ontbijt genuttigd. Voor achten stond ik al buiten. Het is dan nog maar net licht. Het pad is gauw gevonden en voert eerst langs de kleine arena waar stierengevechten worden georganiseerd. Het pad is steil en de natuur is schitterend. Alle paden zijn van voldoende gele pijlen voorzien. In de diverse weilanden lopen varkens, geiten en schapen. Tegen halftien wordt Cortijo Arroyo Mateos bereikt. Het particuliere gebied dat, na afspraak, betreden mag worden. Het slot is van de grendels afgehaald dus kon ik er zo op lopen. Het is een mooi gebied. Na een half uurtje passeerde ik een geitenhoedster die juist de geiten aan het voeren was. Twee zeer enthousiaste honden renden grommend en blaffend op mij af. En maar springen. Ze hadden geen kwaad in de zin maar toch. De hoedster behoedde mij voor ongelukken. Er moest nog een flinke daling worden ingezet om vervolgens aan de andere kant van het dal weer even hoog te stijgen. Na anderhalf uur, in de buurt van de uitgang stond een enorme kudde schapen met zes honden die al blaffend op mij afkwamen. Negeren en in de gaten houden was het parool. Het ging net. Twee meter is de reikwijdte van de stok en daar bleven ze net buiten. Bij het laatste hek was het bingo! De beruchte, aan één oog blinde, meest valse hond van Spanje stond daar, aan de andere kant van het prikkeldraad maar wel bij het hek dat ik doormoest met veel misbaar sacherijnig op mij te wachten. Achter mij stond een forse maar iets minder dappere maar wel vals blaffende bullebak. De situatie is in ogenschouw genomen. Door de prikkeldraad afrastering voor 200 meter te volgen raakte ik de blinde bullebak kwijt doordat een hek aan zijn kant hem de weg versperde. De laatste bleef wel in de buurt maar was niet zo dapper. Zo werd eerst de rugzak en vervolgens het heuptasje over het prikkeldraad gezet. Er werd een schijnaanval naar de hond uitgevoerd en snel werd er over het prikkeldraad geklommen. Afgezien van een paar schrammen op de arm was er verder geen schade. Oef.
De route loopt verder langs gemakkelijke brede landwegen door een fraai gebied. Langs de weg staat een gedenkteken voor José Luis Salvador, de grote promotor van de Ruta de la Plata. In het dorpje El Real de la Jara is een uurtje rust gehouden. Buiten spettert het alweer en het is vrij fris. De waard deelt mede dat heden ochtend twee Belgen dit dorp zijn gepasseerd. Ik ben benieuwd.
Het eerste stuk van het tweede deel van deze etappe is heuvelachtig. De landbouwwegen zijn weliswaar niet verhard maar zijn goed te belopen. Op het land groeien veel steeneiken en kurkeiken. De zwarte varkens zijn zeer sociaal. Soms liggen ze met wel tien beesten op een rijtje tegen elkaar aan. Na 7 kilometers volgt een grote stop met schoenen uit enzovoorts. Uiteindelijk kom ik na circa 30 km bij de provinciale weg N630, die nog vaak gevolgd zal worden. Inmiddels slepen de voeten en is het lopen over asfalt niet meer zo bezwaarlijk. Daarnaast is het fors gaan regenen. De poncho wil maar niet soepel over de rugzak glijden. Na een aantal korte onderbrekingen wordt Monesterio bereikt, het stadje waar de befaamde “Jamon Pata Negra” vandaan komt. Er zijn veel winkels waar hammen en broodjes met ham worden aangeboden. Het hostal was uiteraard aan de andere kant van de stad. Een kamer is snel gereserveerd (Pts2.000) en de was wordt op een radiatorkacheltje gedroogd. Gevolg is dat de ramen hevig beslaan. Die worden dan ook maar open gezet. Beneden in de bar is het ongezellig. Buiten is een vulling gekocht voor de defecte ballpoint en is in een kerk een mooi stempel voor de Credential verworven. Als dank heb ik een aantal muntjes in de elektrische kaarsenstandaard gestopt. Om kwart over negen ging de keuken open voor de enige etende gast. Specialiteit van het huis zijn niertjes. Nee, dank U. Het wordt uiteindelijk soep met ham, een kanjer van een entrecote met water, wijn, brood koffie en een brandy.
In de nacht valt de regen met bakken naar beneden. Boven het raam van mijn kamer bevindt zich een vergaarbak waardoor veel water van het dak doorheen kolkt. Bovendien is er veel verkeer op straat.
Vrijdag 14 april, Monesterio – Fuente de Cantos, 22 km
I |
n de bar beneden werd van alles besteld. De eigenaar was lelijk ziek. Hij nam maar eens een flinke borrel en stak weer eens een sigaret op. Hij stak ter plaatse bijna de moord maar hield dapper vol. Hij had er geen zin in. Uiteindelijk kreeg ik toch wat hij wilde: brood met ham nu en een broodje ham voor onderweg. De rekening voor het geheel bedroeg Pts5.950. Het is wat veel maar met deze man viel so wie so niet te praten. Buiten was het fris maar droog.
De weg uit de stad was gemakkelijk te vinden. Rond het sportstadion werd flink aan de weggewerkt dus de pijlen ontbraken. Een poosje is langs de sterk vervuilde Arrayo de la Dehesa gelopen. Het is een mooi stukje. Na ruim een uur begon het weer zachtjes te regenen. Er zijn hier ongelofelijk veel van stenen gestapelde muurtjes. Doel hiervan is in feite het afbakenen van de verschillende weilanden en percelen. Langs een muurtje was een schoon strookje gras. Bij uitstek een plek om even te gaan zitten. Met de poncho over alles heen en in een ongemakkelijke kleermakerszit is hier een vroege lunch genoten. Het pad loopt nu door weilanden en is niet zo duidelijk waarneembaar. Regelmatig moesten hekken gepasseerd worden. Er staan net voldoende gele pijlen om niet verdwaald te geraken. Op enig moment keek ik achterom en daar, op 200 meter achter mij, liepen twee mannen met ieder een rugzak. Het waren de twee Belgische vrienden uit Brugge waarvan al eerder het bestaan bekend was. Na een korte kennismaking liepen we gezamenlijk verder op. Bij de Arroyo del Bodium Chico laat het boekje ons in de steek. Er wordt gesproken van “deze kleine rivier heeft bijna geen water”. De werkelijkheid was anders. Zeker 6 meter breed was de droge rivier en een halve meter diep. Dus doe de schoenen maar uit. De eerste Belg, Leonel, loopt naar de overkant en hij gaat op een steen onder het water staan. Gevolg: hij glijdt uit en een deel van zijn spullen gaat ten onder. Zo moet het dus niet. Ik stel de tweede Belg voor om gezamenlijk te gaan. Dan kan je onderweg nog wat steun aan elkaar hebben. Ook ik gleed weg (op dezelfde steen?) maar werd door Norbert behoed voor een nat pak. Op een grasveldje rechts naast de oversteek worden de voeten gedroogd en de schoenen weer aangetrokken. Het pad heeft geen aanwijzingen. We kiezen voor haaks rechts i.p.v haaks links. Op enig moment lopen we richting zuidoost terwijl pal noord gewenst is. Terug maar niet ver genoeg. We hadden na de oversteek naar links gemoeten! En de honden die op de schapen pasten maar blaffen. Uiteindelijk gaan we wel volgens de goede koers maar niet over het goede pad richting eindbestemming. Een herder bevestigt de juistheid van de koers. Er wordt een flink stuk langs de N630 gelopen. Ik neem een korte pauze en vervolgens gaat het weer een beetje regenen. De poncho gaat niet gemakkelijk over de rugzak. In het centrum bij de politie ontmoet ik de Belgen weer. Na de stempel sessie en het bestuderen van de stadsplattegrond wordt Hostal Vicente, uiteraard aan het begin van het stadje, opgezocht. Dit etablissement zat vol met jonge lui die allen op de bus wachtten. Het busstation lag vrijwel naast het hostal. Kamer geregeld, biertje gedronken. De Belgische mede pelgrims geven er de voorkeur aan om ieder voor zich te betalen. De kamer is wel erg eenvoudig maar is goed genoeg voor een dutje tussendoor. De Belgische collega’s slapen in de lokale refugio dat zich schuin tegenover de hostal bevindt. De stad is een beetje verkend en voor Norbert is een poncho gekocht. Bij terugkomst is nog gezamenlijk een biertje gedronken en ik ging vervolgens naar het hostal voor het avondeten. Dat bestond uit artisjokken en lamscarbonade met patatas fritas Alles was nogal vet . Het bed was pedt. De rekening goed: Pts 3315, all in
De nacht is lelijk koud. Ik heb maar één deken. Rond halfvijf verzamelde zich een groep mensen in de bar die kennelijk een dagje met de bus uitgingen. Een herrie van jewelste. De ingestoken oorproppen deden hun werk.
|
I |
k ben een uur bezig om op gang te komen na deze slechte nacht. De avond tevoren zijn de kleren niet gewassen en daar heb ik nu hevig spijt van. Het is guur buiten en in de nacht is er lelijk gehoest. Oppassen geblazen. Beneden in de bar zit een groep Portugezen te ontbijten. Eén dame ontbijt louter met een glas rode wijn en dat is dan een grote meid. Brr de ober heeft het er maar druk mee. Op het verzoek een kopje thee te serveren schenkt hij koffie “Americano”, koffie die met warme melk wordt geserveerd. Het is in ieder geval warm.
Mijn neus begint al verbrandingsverschijnselen te vertonen. Er moet dus, al dan niet preventief, zonnebrandcrème op worden gemeerd. Er zijn twee tubes in de rugzak. Beide blijken al een heel eind leeg te zijn en dat is wat gewicht betreft een voordeel. Tegen kwart voor negen werd er vertrokken. Aan de rand van het dorp Fuente de Cantos was het al weer raak: Regen en wind. De regen werd steeds erger, aan blubber was geen gebrek. Doornat is in Calzadilla de los Barros in een bar koffie gedronken en in een bakkerij is naast brood een abrikozen slof gekocht die ter plaatse werd verslonden onder toezicht van een zestal verbaasde dames. De beken die gepasseerd moesten worden waren behoorlijk gevuld. Bij één beek ging het net goed om nog droge voeten te houden. Ondanks de regen en het geglij was het best een aangename ochtend om te wandelen. De heuvels zijn hier niet hoog. Rond halféén liep ik in op de Belgen. Zij waren al voor achten de refugio uitgezet en waren uit arren moede maar gaan lopen. De poncho van Norbert was met veel tape dichtgeplakt want de poncho bleek aan de zijkanten geen sluiting te hebben en de wind en regen hadden er vrij spel. In Puebla de Sancho Perez is even gestopt en ruim na het middag uur spoelden we letterlijk het spoorwegstation van Zafra binnen. Leonel had in zijn actieve tijd bij de Belgische spoorwegen gewerkt en hij toonde uiteraard belangstelling voor alles wat er te zien was. Zafra werd verkend, diverse keren is in een bar gevraagd naar een goedkope overnachtings mogelijkheid maar uiteindelijk werd het toch Hostal Carmen, het hostal aan het begin van Zafra dat we als eerste waren gepasseerd. Het restaurant zat vol met mensen die aan het souperen waren. Het zag er goed uit. Aan de volle bar moest eerst een paspoort worden getoond en moest er Pts2.500 p.p. worden afgerekend alvorens we de bundel met sleutels voor de buitendeur, de tussendeur en de kamerdeur kregen. De Belgen namen eerst een drankje. Ik ging gelijk naar boven. Boven aangekomen werd ik al tegemoet getreden door een dame op leeftijd die kennelijk al van mijn komst verwittigd was. In de badkamer heb ik mij van alles ontdaan om te voorkomen dat de slaapkamer kleddernat zou worden van het vele lekwater. Er was een airco met warme lucht! Bingo! Alle kleding werd gewassen en onder aan de airco gehangen die op 29 oC werd afgesteld (hoger kon niet) en het raam werd open gezet om de waterdamp te laten ontsnappen. Zelfs de poncho, die inmiddels ook een geur van melkzuur had, is onder de douche afgespoeld en boven het bad te drogen gehangen. Een stief kwartiertje is in de badkuip doorgebracht. De botten werden hierdoor weer warm. Al met al kostte deze persoonlijke verzorging een tweetal uurtjes. Rond vijf uur is de bar opgezocht en een tortilla besteld. Normaal gesproken krijg je dan een punt aardappeltaart. Hier was het een gewone omelet met een paar hompen brood. Het personeel maakte zich gereed voor de afmars en ik zat als enige in de bar nog wat te drinken.
Op enig moment trof ik op straat de twee Belgische medepelgrims. Beiden liepen met de poncho over het hoofd door de stad. Ze probeerden bij een schoenmaker de poncho van Norbert dicht gestikt te krijgen. Het was echter al zaterdag 18.00 uur dus was er weinig kans. Ik adviseerde om de zaak met een kantoornietmachine dicht te nieten. Uiteindelijk zijn we bij een schoenmaker in de woonkamer terechtgekomen waar de zoon des huizes onder toeziend oog van zijn moeder, zijn vader, zijn broer, twee Belgen en een Nederlander de zaak geheel en al dicht niette met kantoornietjes.
We hebben met z’n drieën nog een beetje rondgelopen. De Belgen wilde in een kroegje een klein hapje eten. Ik nam pro forma afscheid van de mannen want mijn voornemen was om de volgende dag twee relatief kleine etappes te lopen. Overigens wordt zo’n definitieve beslissing om door te lopen pas op het allerlaatste moment genomen. Ik ging terug naar het hostal om daar in de comedor een flinke T-bone te eten. Alleen eten is niet echt gezellig maar om nu met de twee collega pelgrims een enkel broodje te eten is het ook niet helemaal! De was droogt goed. Ook de zware loopschoenen zijn aan de airco gahangen om te kunnen drogen.
R |
edelijk vroeg stond ik op alhoewel kwart over zeven voor een lange dagetappe al rijkelijk laat is. De droge zaken werden ingepakt en de bos met sleutels is aan een zeer verbaasde en slaperige hospita afgegeven. In een bar is het ontbijt genuttigd en nu eindelijk eens zoals ik dat wilde: geroosterd brood, boter, marmelade en thee. Het was zelfs gezellig. Buitengekomen liep ik bij de kerk de twee Belgen in de arm. Ik zocht nog naar de goede weg maar de Belgen liepen rechtdoor en ik er achteraan. Voor de derde keer in twee dagen was dit hevig mis. Na enige omzwervingen en een kwartier vertraging kwamen we weer op het goede pad. Dit gaat op deze manier niet goed. De Belgen hebben weliswaar hetzelfde boek als ik maar dat boek van hun zit in de rugzak en wordt in feite ’s morgens geraadpleegd terwijl ik het boek onder handbereik heb en het de hele dag nasla. Op enig moment stopten de Belgen om al hun dikke kleren uit te trekken en bij mij ging de turbo erop. Ik liep al in mijn dunne kleding want het was aangenaam weer. In Los Santos de Maimona wijst de flecha amarilla naar de ingang van een bar. De uitbater, Casimiro Gordillo Roldan is een groot liefhebber van de Ruta de la Plata dus wordt je daar als goede vriend ontvangen, krijg je stempels aangeboden, het is bijna “opgedrongen” foldertjes uitgereikt enzovoorts. Dat was een aangename onderbreking. Hierna was het veel kilometers gezellig lopen. Over mooie paden. Op enig moment was daar een mooi plekje uit de wind met gras. Een uitgelezen plaats om even te rusten. Zo gezegd, zo gedaan. Na 25 minuten begon het te spetteren. De poncho ging over het lijf en zo ben ik nog een poosje blijven zitten. Na deze dag 20 kilometer gelopen te hebben arriveerde ik in Villafranca de los Barros. Druk op straat, niet te filmen. Iedereen liep te paraderen. De bars waren nokkie vol met komende en gaande families. En maar kletsen, en maar discussiëren. Eerst dacht ik wat rustigers te kunnen vinden. Nee dus. Uiteindelijk ben ik in een bar aan een tafeltje met twee jonge moeders beland. Twee glazen Fanta Naranja zijn gedronken, er is wat gerust en de georganiseerde chaos is aangekeken. Er was niets te eten te krijgen. Het was daarvoor veel te druk met tientallen mensen, oud en jong, voor de bar. Ondanks het feit dat je er kompleet anders uitziet, enigszins verwilderd, wat vochtig en wat beduimeld zijn de mensen onmiddellijk bereid om je te woord te staan en/of je te helpen.
Tegen halfdrie werd een aanvang gemaakt voor de tweede etappe van deze dag maar niet voordat er een blaar was doorgeprikt.
Tierra de Barro
|
Verschillende keren breekt er noodweer los. Harde wind, hevige buien en hagel volgden. Het omdoen van de poncho was nog steeds een probleem, zeker met de harde wind. Op een droog moment werd uit een auto een vijftal hazewindhonden geladen die op hazenjacht gaan. De honden hadden ieder een korte stok van zo’n 30-40 cm om hun nek om te voorkomen dat de prooi wordt aangevreten. Het was een prachtig gezicht om die beesten over het land te zien rennen.
Op enig moment staat er een pijl naar links, de calzada moet verlaten worden. Er is dus naar links afgeslagen. Hoe het nu verder kwam, door de vermoeidheid of door het slechte weer, de tekst van de route beschrijving klopte niet meer met het beeld dat ik dacht te hebben. Er is een poging gedaan om een auto aan te houden om te vragen naar de juiste weg. De auto stopte niet maar keerde op veilige afstand om en reed vervolgens langzaam terug. De oudere man gebaarde vanuit zijn comfortabele zetel en dat werd door mij verkeerd begrepen. Een zeer modderig pad is toen ingeslagen en dat is gedurende een kilometer gevolgd. Het werd steeds erger. Uiteindelijk ben ik op mijn schreden teruggekeerd, weer naar de asfaltweg. Onduidelijk was nu waar ik naar toe moest lopen. De voeten doen zeer zeer. Daar is weer een auto aangehouden met twee jonge mensen erin. Die vonden het maar raar zo’n oude zak met zo’n rode zak over zijn hoofd. De richting van Almendralejo was gewoon goed, het was nog maar 3 tot 4 kilometer. Verder gelopen, nog een keer voor de zekerheid aan een trimmer gevraagd, het was nog maar 4 kilometer en daar kwam de auto met de jonge mensen aan, die stopten en die boden een lift aan. Na 40 kilometer lopen en zere voeten wordt zo’n genereus aanbod niet afgeslagen en de mensen brachten mij via een complex stratenplan precies naar de plek waar ikzelf voor gekozen zou hebben, hostal La Perla, een oubollige tent met ruim voldoende kamers. Precies naast de kerk die de volgende dag als uitgangspunt voor de volgende etappe zou worden gebruikt. Ondertussen hadden de jonge mensen trots verteld dat de locale voetbalclub FC Extremadura heet en in de hoogste competitievorm in Spanje speelt. Met zeer modderige schoenen heb ik moeizaam de trap naar boven beklommen. De uitbater praat veel maar geeft geen krimp als hij de schoenen ziet. De prijs is wat aan de hoge kant. Pts 3.500 maar het is dan ook een echte stad waar ik verblijf. Nadat de was en de blaren waren verzorgd ging ik naar de stad. Het is zondag dus loopt iedereen te flaneren. Het is lastig om een leuk restaurant te vinden. Meestal zijn die verstopt achter een gewone bar en dat zie dus niet vanaf de buitenkant. Uiteindelijk ben ik in een soort snackbar terecht gekomen en heb daar in de “Gebo” entourage wat gegeten. Het was een bord vol met droge brokken varkensvlees zonder saus en een paar hompen brood. Ik had het waarschijnlijk zelf besteld maar ik wist niet wat het was en de snelle juffrouw had niet de rust om het me eens uit te leggen wat zij allemaal in de aanbieding had. Moeizaam liep ik op de blaren en spelden terug naar het hostal waar de waard juist in hevige discussie was met zijn circa 14 jarige dochter die er schitterend uitzag maar naar de mening van haar vader veel te veel make up had gebruikt. Onderweg naar boven werd de leestafel van een recente krant ontdaan. Deze belande in propvorm in de schoenen.
In bed aangekomen was daar de vrees: wat doen de voeten? Blijven ze zo pijnlijk en branderig? Dan kan je het shaken. Gedurende de nacht zijn de voeten regelmatig aan een onderzoek onderworpen. Het ging steeds beter voor het gevoel. Morgen ga ik door!
Z |
es uur was ik wakker. Hoe is het met de voetjes? Kennelijk goed. Tegen halfacht eruit. Inmiddels erger ik mij aan de ongeorganiseerde troep die ik van de inhoud van de rugzak maak. Dat moet belangrijk verbeteren! De proppen krantenpapier in de schoenen zijn kleddernat geworden. Deze ouderwetse truc werkt dus nog steeds. Om halfnegen loop ik bepakt met de nog steeds ernstig vuile schoenen in de hand de trap af en meld mij in het pikkedonker bij de balie. Roepen, roepen. Geen reactie. Op zich zou dat geen probleem zijn maar de buitendeur is hevig op slot. Wat te doen? Voor noodgevallen heb ik een scheidsrechtersfluit in mijn zak. Na een flinke riedel komt daar de uitbater haastig in zijn kleren geschoten aan. Hij is één en al vriendelijkheid maar de goede man heeft zijn gebit nog niet in. En hij maar lachen met open mond en maar slissen. Buiten heb ik de schoenen aangedaan. De aangegeven route loopt langs de kerk die op 50 meter afstand van het hostal staat dus dat was makkelijk. Bij een gesloten winkel is een broodje gekocht en in een bar is ontbeten. Geroosterd brood, marmelade en boter. Heerlijk. In de wat grotere plaatsen heb je altijd wel veel nieuwsgierige blikken van de aanwezigen in een bar. Nu dat was hier ook het geval. Tot en met de Gardia Civil had belangstelling. Op weg. Bij de farmacia vroeg ik naar pleiters voor mijn blaren. De dame zei dat ik naar het ziekenhuis moest. Teleurgesteld liep ik de winkel rond en overal stonden pleiters. Een doos met 5 velletjes wisselde van eigenaar. Zo kocht ik ook een doosje met Compeed. Dit laatste doosje bleek achteraf alleen kleine pleisters te bevatten maar daar kwam ik pas een dag later achter. Daarom niet getreurd. Ik had er goed zin in. De zon scheen en met de blaren ging het goed. Wat wil een pelgrim nu nog meer? Na 3 kilometer asfalt vond ik de Calzada weer die ik gisteren verlaten had. Na een uurtje is er kort gerust en na 12 kilometer is er wat langer gerust op een stukje gras. Na afloop is alles stormvast gezet en daar was weer een verfrissende bui. Dit stuk van de route is slecht aangegeven, men was karig met de aanduidingen en het pad was nogal modderig. Rond halféén arriveerde ik in Torremegia. In een bar is een lunch genoten met de schoenen uit onder de tafel. Het brood was wat droog maar ja, een kniesoor die daar op let. Buiten reden vrachtauto’s met leeuwen en luidsprekers heen en weer om de aandacht te trekken: Cirque de Paris was in dit gat neergestreken en de circustent werd opgezet. Een aantal jaren terug hebben Joke en ik dit zelfde circus in Frankrijk ook een dorpje zien binnenkomen.
Aan het einde van het dorp stonden weer gele pijlen. Hierna een poosje weer niet. Dat werd ik zat en ik ben dwars door een wijngaard geploeterd en uiteindelijk kwam ik weer op het asfalt van de N630 terecht. De eerste honderd meter leverde een modderspoor op het wegdek op. Een betonmolenchauffeur knipperde met zijn lichten en hij salueerde. Dat was best leuk. Regelmatig heb ik onderweg gestopt en heb ik in voorkomende gevallen pleisters geplakt. Zo sukkelde deze pelgrim naar Merida. Eerst kwamen de velden met de weggegooide troep en toen de rivier met daarlangs de promenade. Bij de Romeinse brug over de Guadiana rivier. heb ik mij laten fotograferen door een Spanjaard die familie in Spijkenisse bleek te hebben. Dat was leuk. Molens en klompen en natuurlijk Banchaal ofwel Van Gaal. Dagelijks is deze voetbaltrainer van Barcelona wel een kwartier aan het woord op de televisie en dat iedere dag! Dat is toch wel knap. Na de Romeinse brug kwam de fraaie stad. Er zijn veel mensen en ook nogal wat toeristen. Op het grote plein. De Plaza d’Espagne stond een mooi gebouw met een politieagent ervoor. Dat moet het politiebureau zijn dus de kleding werd in orde gemaakt en de Credential werd tevoorschijn gehaald. De gewapende agent vond het prachtig dus alles wat ik gestempeld wilde hebben werd voorzien van een afdruk. Vervolgens is netjes in gebroken Duits uitgelegd waar ik Hostal Nueva España kon vinden. Deze agent had een aantal jaren op Mallorca gewerkt in de horeca. Vandaar. Het hostal was snel gevonden en de kamer werd op Pts 2.900 afgemaakt. Hoera, weer een airco. Er was wel een airco maar de afstandbediening ontbrak dus was er geen warmte om te drogen. Na het wassen is de stad opgezocht. De Plaza d’ España was goed voor een lekker biertje. Na het tweede exemplaar begon het hevig te waaien, gevolgd door een verfrissend buitje. In de stad zijn verschillende zaken gekocht zoals leervet voor de schoenen en vet voor de rafelige neus. Bij een supermarkt zijn diverse etenswaren gekocht. Terug in de kamer zijn de schoenen schoongemaakt en buiten het raam in de vensterbank geplaatst om te drogen. Diverse kaarten zijn geschreven. In de verte was getrommel te horen. Kennelijk loopt er ergens een processie.
Rond etenstijd, dat wil dus zeggen ruim na achten, is de Meridasche “Kalverstraat” opgezocht. Onvoorstelbaar veel jonge lui lopen te flaneren. Diverse speciale “jeugdhuizen” worden goed bezocht. Het is lastig om een restaurant te vinden dat ergens een beetje op lijkt. Uiteindelijk is gekozen voor een drukke tapasbar. Terwijl ik op de kaart stond te kijken werd ik uitgenodigd om mee naar achter de klapdeuren te gaan. Daar bevond zich een prachtige eetzaal. Er was een menukaart in het Duits en Engels. Dat was makkelijk. Halve flessen wijn verkocht hij niet. De Rioja was op maar voor Pts875 werd een zeer zware rode “Extremadura” ontkurkt. Het bleek een perfecte wijn te zijn. De chef van de tent was een soort “Chef van Oekel”. Zeer druk en met veel verve werd door hem van alles aanbevolen en opgenoteerd. En jongen van ca 18 jaar serveerde uit en die werd constant door die ouwe tot spoed gemaand. De jongen vloog letterlijk door de zaak. Het water is een Vichy en dus zeer zout. Het voorgerecht bestond uit Brussels lof met Roquefort en toefjes slagroom uit de spuitbus. De slagroom was niks, de rest smaakte heerlijk. De zeetongen zwommen nog in de olie die licht zuur was vanwege de grote kappertjes die in ruime hoeveelheden de zaak opsieren. Een koffie toe liet nog even op zich wachten want ik wilde wel een eind komen met de inhoud van de fles wijn. Mijn eerste enthousiasme over deze horeca zaak was inmiddels omgedraaid in ergernis over het opjagen door Sjef van Oekel. Ik wilde dus zo weinig mogelijk van de wijn achterlaten en dat is (bijna) gelukt. De rekening liet zeer lang op zich wachten dus een fooitje zat er niet in. Bovendien was het niet de arme jongen die afrekende. Uiteindelijk verdween mijn rekening en het bankbiljet naar achteren en aan een andere tafel ontstond commotie met als uiteindelijk resultaat dat vier jonge mannen zonder iets van het voorgezette menu te eten de zaak verlaten. Ik volgde met al het wisselgeld in mijn hand naar buiten.
In de buurt van het hostal werd de weg geblokkeerd door een massa mensen die stilstond voor een processie die langs kwam.
Het was zeer indrukwekkend: eerst ca 40 personen in capes en mutsen met brandende kaarsen, 60 man muziek, 30 gemaskerde mensen met lange mantels en grote hardhouten kruisen, twee grote plateaus met een voorstelling van de kruisweg met ieder zo’n 40 dragers er onder, 60-80 kinderen met mantels en mutsen en brandende kaarsen, een groep geboeiden met mantels en kappen, weer een plateau, 60-80 kinderen in mantels en met kaarsen in de hand en tot slot een groep van ca 50 trommelaars. De snelheid bedraagt 1 tot 2 kilometer per uur. Iedereen langs de route staat ademloos te kijken. Flitsfoto’s worden nauwelijks gemaakt. Het is zeer ingetogen. Joke wordt nog even gebeld en haar wordt verteld wat ik zojuist gezien heb.
Terug in de kamer worden de schoenen in het zeehondenvet gezet. Tegen enen ga ik naar bed.
|
I |
n verband met de zelf opgelegde discipline ben ik er al voor zevenen uit en wordt alles systematisch aangepakt. Om kwart voor acht sta ik al buiten en twee minuten later loop ik aan de overkant van het hostal de bar in waar gistermiddag van een biertje is genoten. De sacherijnige bardame van de dag tevoren staat er nog, zij het dat deze meid (tweede helft twintig) hevig verkreukeld uit de nacht gekomen is. Het geroosterde stuk stokbrood met boter en de warme thee smaken best. Zwijgend wordt er afgerekend en wordt de rugzak omgegord. Binnen tien minuten geurt er uit een andere bar een heerlijke koffielucht. Uiteindelijk ben ik hier voor mijn plezier dus wordt er hier koffie gedronken. Merida is vervolgens verlaten. Eerst kom ik langs een Romeins stuwmeer. Het is nauwelijks te bevatten waartoe de Romeinen in het jaar nul al toe in staat waren. Op een terrasje dat niet geopend was maar waar wel stoelen stonden heb ik een gure en winderige korte stop gehouden. Steeds is er de dreiging van de regen. Het is zuur. In El Carrascalejo heb ik in de luwte van de kerk een stukje gegeten en waren de schoenen uit. In Aljucen vroeg ik op enig moment aan een dame naar een bar. Op een pleintje was van zinken en kunststof platen een eenvoudige bar opgericht. Koffie werd gezet met een espresso apparaat dat zo bij de Kijkshop vandaan had kunnen komen. Het broodje voor het broodje ham werd door de zoon van de uitbater bij de bakker gehaald en de ham haalde hij thuis aan de overkant, waarschijnlijk bij zijn vrouw. Uiteindelijk bedroeg de rekening Pts 600 voor een broodje ham en twee koffie. Het toilet was buiten, donker en zonder papier en zonder licht maar er was wel water. Op deze ochtend had ik voor het eerst een emotionele dip. Ik voelde me niet optimaal. Het kan zijn dat de darmen niet helemaal optimaal zijn of is het de aanhoudende gure wind die dwars ligt. Een flink deel van de dag loop ik met mijzelf te discussiëren. Regelmatig moet ik vanwege de kou het windjack aantrekken of vanwege de regen het jack weer uit trekken en de poncho aantrekken. Na acht dagen ben ik er achter hoe ik de poncho in één keer over hoofd, schouders en rugzak kan krijgen:…de armen niet te ver gespreid houden en het voorstuk oprollen tot het gat voor het hoofd. Tismaardatjeutweet.
Deze dag verzuren de spieren snel. Na zo’n drie kwartier tot een uur moet ik zo’n tien minuten zitten en dan gaat het weer. In de bossen die ik doorloop zijn verschillende mensen bezig om paddestoelen te zoeken. Een soort grote champignons die voor het grootste deel onder de grond zitten. Twee bikers rijden mij achterop. Ze groeten uiteraard wel maar stoppen deden ze niet. De dag duurt lang. Alles zit een beetje tegen maar met de tenen gaat het wonderbaarlijk goed. Ik loop deze dag voor het eerst in mijn nieuwe grijze sokken want de rode sokken zijn nog steeds nat van gisteren. Uiteindelijk kom ik terecht in Alcuescar. Aan het begin van het dorpje is een klein parkje met banken. Hier is een aantal minuten gerust voor het weer begon te regenen. Aan een drietal 14-jarige bakvissen gevraagd waar het hostal is. De meiden praatten constant door elkaar en, op eigen initiatief, in verschillende talen. Geen touw aan vast te knopen maar er is een hostal op 5 kilometer afstand langs de carretera. Aan de overzijde van de carretera staat een klooster. Daar eens vragen of ze weten waar het hostal is. Bij de deur stond een zeer vriendelijke broeder die zei Hermano te heten maar hermano is gewoon het Spaanse woord voor broeder. “Hier is het hotel” sprak Hermano. Ik voelde na deze slechte dag geen enkele weerstand en gewillig werd ik meegenomen, de duisternis van het klooster in. In de hal werd ik overgedragen aan de broeder-portier, een jonge priester. Die stempelde de Credential af en vroeg verschillende dingen die ik niet begreep. Via een brede, donkere trap ging het naar de tweede verdieping. Kamer 7. Het geluksgetal, dat kon niet mis zijn. De deur werd ontsloten met enig gemor en dat was het: een simpel bed met matras, twee dekens, een kussen zonder sloop, een tafel van spaanplaat die door het vocht wat gezwollen was en een rechte stoel. Uiteraard hing boven het bed een kruis. Op verschillende manieren vroeg ik aan de broeder-portier om lakens maar hij gaf te kennen dat hij het niet begreep. Dan maar zonder. De badkamer was aan de andere kant van de gang. Een grote kamer met badkuip, WC, bidet en wastafel. Het elektrisch deel van de warmwaterboiler was geopend, het peertje hing naakt aan het plafond maar er was kokend heet water dus alles kon en moest geweekt en gewassen worden. Er stond een grote flacon badschuim op de rand van het bad. Het is lastig om het schuim uit de kleding gespoeld te krijgen. In de grote, zeer koude verblijfruimte op de tweede verdieping stond naast een paar tafels en stoelen en een bankstel een elektrisch radiatorkacheltje en dat bleek het te doen! Na het douchen heb ik mij geheel met één duizend-dingen-doekje afgedroogd zodat de handdoek droog kon blijven. Inmiddels waren de twee eerder ontmoette bikers gearriveerd. Ze bleken materiaalpech te hebben. De was werd gedroogd boven, naast en op het kacheltje en ik zat erbij en ik keek ernaar. Draaien en maar draaien had ik als goede raad van thuis meegekregen. De tijd werd gedood met het schrijven van dit verhaal. Op enig moment ben ik naar de bar aan de weg tegenover het klooster gegaan. Bij het biertje nam ik een portie pollo asado en is er naar huis gebeld. Terug in het klooster is een beetje met de bikers gepraat en om 21.00 uur bij het kantoor van de broeder-portier was hij daar ineens: een Rotterdammer die over de hele wereld had gezworven (geen naam, geen familie) en nu voor een paar maanden hier beland was en de broeders hielp met het verzorgen van de ruim 50 pupillen die aan de zorg van de broeders zijn toevertrouwd. Hij had al met de pupillen meegegeten. De broeders hielden hun dienst tot halftien en toen werden de bikers en ik uitgenodigd voor het avondeten. In de kelderverdieping in een sober ingerichte maar hel verlichte ruimte werden we geplaatst. Er was ook een ouder echtpaar in die eetzaal. We werden verzocht om de boeken en een overnachtingskaart in te vullen. Het eten bestond uit 3 liter water, een schaal vermicelli soep en een enorme schaal met een soort frikandel worstjes, in stukken van 3-4 cm gesneden en een alles overheersende tomatensaus. Er werd een schaal niet aangemaakte ijsbergsla bij geserveerd en uiteraard ontbrak het brood niet. Toe was er een stukje fruit. Het smaakte, gezien de omstandigheden prima. Tegen het einde van de maaltijd kwam bij herhaling de kleine, vriendelijke eerste broeder die zaken ophalen die we niet meer verder zouden opeten. Het was gezellig. Na de maaltijd is in de hal een klein sigaartje gerookt, de was was bijna droog en de radiatorkachel is aan de bikers overgedragen. Met alle kleren aan sliep ik òp één deken en ònder één deken een gerechtvaardige slaap.
H |
alfacht op. Aan wassen doen we ’s morgens niet. Het is zeer koud in het klooster. Om kwart over acht naar beneden. De Nederlander stond daar en weer is een praatje gemaakt. De broeders hadden een uitloper met hun dienst. Om 08.40h werden we de eetkamer binnen gelaten. Per persoon was er één geroosterde boterham en verder waren er kaakjes van het Spaanse Cruz Roja, dus zat ik in feite van de bedeling te eten. Er was een klein potje koffie en een enorme kan warme melk en een pot met oploschocolademelk. Brrrrr. We moesten alles met z’n drieën delen.
Om kwart over negenen gordde ik de rugzak om, kreeg de kleine vriendelijke Hermano een biljet van Pts 1.000 in zijn knuistje gedrukt dat hij gelijk in zijn zak stak (De Rotterdamse zwerver meldde eerder dat het dubbele bedrag veel te veel was). Hij liep mee naar buiten, naar de weg waar vier zeer duidelijke gele pijlen op een muur waren geschilderd maar hij moest ik er toch nog even op wijzen waar de weg was. Het is erg kil. Bij een kazerne van de Gardia Civil is het windjack aangetrokken en zijn de schoenen opnieuw gestrikt want die zaten niet lekker. In het eerste dorp, na 9 kilometer en dus twee uren lopen, was de bar dicht. In een klein winkeltje is wat yoghurt en brood gekocht. De twee bekers yoghurt zijn ter plaatse genuttigd. In de loop van de ochtend wordt het weer beter en kan ik in een T-shirt lopen. En daar was hij dan: de eerste miliario, de Romeinse mijlpaal die nog op de oorspronkelijke plaats staat. Met veel moeite heb ik het fototoestel aan de loopstok bevestigd en een foto met de zelfontspanner gemaakt. Later zou mij blijken dat het fototoestel defect was en de foto –het zou de mooiste foto van de hele tocht zijn geworden- faliekant mislukt was. De twee bikers hadden kennelijk hun technische problemen opgelost en met een vrolijke groet passeerden zij mij met de kreet: “Buen Camino!” De weg is vlak. Regelmatig moeten er beken worden overgestoken maar dank zij de hoge schoenen en de wandelstok lukt dat steeds zonder natte voeten te krijgen. De eerste 16 kilometer deze dag gingen fluitend aan mij voorbij. Hierna ging het wat minder vlot. Op enig moment renden er acht loslopende honden op mij af. Toen ze tot op zo’n 20 meter waren genaderd greep de op grote afstand aanwezige herder in en stopten de honden uiteindelijk op zo’n vijf meter afstand. Blaffend, jankend en grommend lieten ze mij passeren. De wandelstok doet in dit soort situaties overigens wonderen. Het pad blijft vlak en de bloemen groeien zeer uitbundig. Na 28 kilometer belandde ik in Valdesalor in de bejaardensoos. Hier heb ik twee flesjes Fanta Naranja gedronken en de aanwezige uitbater gevraagd om een taxi voor mij te bellen. Deze was er binnen 15 minuten en de laatste 12 kilometer werd voor Pts 1.500 comfortabel afgelegd. De chauffeur verbaasde zich in hoge mate over het feit dat ik zonder reservering op de Plaza Mayor afgezet wenste te worden. Het was immers Semana Santa, de hele stad is overspoeld met toeristen. Wist ik veel. Via veel omwegen via kromme stegen kwam ik uiteindelijk op de Plaza Mayor. Een prachtig plein met diverse terrasjes. Even bij Hostal Goya vragen voor een kamer. Een groot bord was op de deur geplakt. Alles vol. Geen nood, de VVV zit aan de overkant. Een arrogante vrouw vond zo’n vieze pelgrim maar niks. Moeilijk, moeilijk, moeilijk. Ik kreeg een lijst met hotels en de stadsplattegrond en het advies deze adressen maar even één voor één langs te lopen. Nee dus. Kunt U niet even een adres voor mij bellen en vragen of er nog plek is? De oudere dame begreep het niet erg goed, de jongere wel. Er werd gebeld naar een peperduur Residencia en daar was nog voldoende plaats. (Kamers vanaf Pts 22.000.) Ik besloot het zelf wel uit te gaan zoeken. De Plaza Mayor is overgestoken en in een zijsteeg van een zijstraat bevond zich het eenvoudige Hostal Castilla. Dit was meer van het pelgrimsniveau. De kamer lag op de tweede verdieping, aan het einde van een krakende trap, de WC lag aan de andere kant van het gebouw, de douche /badkamer bevond zich ernaast, de paneeldeuren van de kamer konden nauwelijks op slot en kierden hevig, in de kamer bevond het raam zich op meer dan 2 meter boven het bed, het raam gaf geen uitzicht maar ik had wèl een kamer op ruim 100 meter afstand van de Plaza Mayor en dat voor Pts 2.200. Dat was ongeveer 10% van het bedrag dat die onvriendelijke dame van de VVV voor mij in gedachten had. Eén van de eerste dingen die ik deed was het reinigen van de schoenen en het wassen van de kleren. Vervolgens is op één van de fraaie terrasjes een biertje gedronken, dit verhaal geschreven en is er naar mensen gekeken die in zeer ruime mate aanwezig waren. De mensen hier in de Extremadura zijn minder elegant dan de mensen in het zuiden. Ze zijn hier duidelijk robuuster. Het oude deel van Cáceres is bekeken. Hierbij moest alweer veel geklauterd worden om het hoger gelegen deel te bereiken. In alle kerken die bezocht zijn staan tableaus met beeltenissen van de kruisweg en overal in de kerken zijn mensen bezig de zaak op te tuigen en te versieren. In één van de oude straten zat een gitarist meer dan zijn best te doen. Roffelend speelde hij heerlijke Spaanse muziek. Ik heb een paar kaarten gekocht en er bleek ook een Jacobuskerk te zijn. La Iglesia de Santiago. Daar moest ik dus naar toe, onder andere voor een stempel. Er was juist de avondmis aan de gang en de versierders gingen gewoon door met hun werk, timmeren, nieten en praten. De pastoor vroeg dus luid om stilte om de heilige mis te kunnen vervolgen. Hij kreeg ze niet stil en ging toch maar door. Aan een meneer met een stijf boord vroeg ik om een stempel. Na de mis kon ik mij in de sacristie vervoegen. Buiten heb ik één en ander afgewacht om vervolgens na de mis aan een zeer klassieke pastoor met dikke kop, grote neus en forse pens een stempel te vragen. De pastoor ging naar zijn woning aan de andere kant van het plein, achter hem liep de pelgrim en daar achter twee jonge koppels die kennelijk wilden gaan trouwen. Ik dacht: die moet ik voorblijven want anders wordt het een lange avond. Onderweg naar de woning werd uiteraard bij iedereen stil gestaan en werd hier een vriendelijk woord gesproken en daar een aai over een kinderhoofd gegeven. Ik voelde mij als een figurant in een streekroman. Het huis van de pastoor was ruim van opzet maar was afgeladen met snuisterijen en documenten. Op de werktafel werd een goedkope draagbare schrijfmachine uit de vorige eeuw opzij geschoven en met een grote boog werd een stempel op het Credential gezet. Zo, die is binnen. Op de terugweg naar het pension trof ik de regionaal zeer bekende processie in de Semana Santa. Zeer veel mensen stonden op de Plaza Mayor. In tegenstelling tot Mérida was deze processie minder ingetogen maar wel zeer uitbundig in pracht en praal. In het pension is gegeten. Uiteraard was ik de enige gast die gebruik maakte van deze mogelijkheid. De familie zat nog na te tafelen in de standaard slecht verlichte formica verblijfsruimte met het televisiegeluid op tien. Het voorgerecht bestond uit een zeer groot bord macaroni met saus, vervolgens kwamen er twee flinke karbonades met friet en een banaan toe. De fles wijn ontbrak niet. Moe maar voldaan werd er Pts 1.500 op de rekening bijgeschreven. Op de Plaza Mayor is nog genoten van een kopje koffie met een copa CIII. Het was ouderwets goed. Met brandende voeten van het vele lopen ging ik terug naar het pension.
D |
eze etappe is kort want die van de volgende dag is weer erg lang en samengevoegd zou het een etappe van bijna 50 kilometer zijn en dat is voor veel lopers toch te lang. Het geeft je wel de gelegenheid om ’s ochtends Caceres te bezoeken.
In de nacht heb ik het raam en de luiken gesloten dus was het lekker donker. Betrekkelijk vroeg werd er al ergens getimmerd. Tot halfnegen ben ik in bed gebleven. Lekker verwennen heet dat. Na het ochtend ritueel vervoegde ik mij in de eetzaal en daar werd een ontbijt met gebakken eieren met peper en zout genuttigd. Lekker verwennen heet dat. Vervolgens is er naar Renesse gebeld want schoonpapa was op deze dag jarig. Hij was naar het oogziekenhuis en schoonmama was kort van stof.
Rond de kerk van Santiago was het een drukte van belang. Tientallen en later honderden mensen, jong en oud, in lange habijten en puntmutsen waren zich aan het verzamelen. Zeer ongeorganiseerd liep alles door elkaar en maar opgewonden kletsen. Vlak bij de ingang van de kerk was een muurtje en daar heb ik wel twee uur lang mijn bivak opgeslagen. Eerst zat ik er alleen en later was ik ingebouwd door veel kijkers. Het wais wel koud maar met een isoleermatje onder de billen en het jack om de schouders was het goed uit te houden. Op enig moment kon men in de verte getrompetter horen tussen de hoge huizen in de smalle straten. De triomfmars uit Aïda werd geblazen. Om koude rillingen van te krijgen. Daarnaast waren de circa 50 trompetters uitgedost als Romeinse soldaten. Het was een fraai schouwspel en de ogenschijnlijke chaos werd maar groter. Uiteindelijk kwam er actie. De massa stelde zich enigszins op en een tableau werd vanuit de kerk naar buiten gerold en daar onder applaus van de toeschouwers op de schouders van circa 40 fraai uitgedoste kerels gehesen. Met de muziek voorop zette de stoet zich zeer langzaam in beweging. Onder de volgers waren nogal wat boetelingen die, gemaskerd, zware houten kruisen droegen. Sommigen waren barrevoets, één vrouw had ten overvloede nog een zware ketting rond haar enkels. Na 30 meter stopte de processie weer om te wachten op het tweede plateau. Deze droeg de beeltenis van Maria, de moeder van Jesus. Het geheel was fraai versierd met zeer veel vooral witte bloemen. Deze voorstelling werd opgetild en gedragen door circa 40 vrouwen. Toen het plateau op de schouders werd gehesen kregen de dames van de omstanders een ovationeel applaus. Zeer langzaam zette de stoet zich onder tromgeroffel in beweging. Dit was het sein om te vertrekken. Ik wist uiteraard waar ik naar toe moest maar ik moest een straat passeren waar de processie doorheen kwam en er was dus geen doorkomen aan. Na een flinke omweg kwam ik uiteindelijk bij de arena en bij de uitvalsweg naar Casar de Cáceres. Bij een bakker is brood en een abrikozenslof gekocht en bij een bank zijn enige peseta’s getapt. In de laatste bar van de stad is een bak koffie genuttigd. Diverse aanwezigen, waaronder een zigeuner echtpaar waarvan de man koffie stond te drinken en de vrouw zonder twee voortanden geduldig stond te wachten tot haar man het tijd geworden vond om te vertrekken, verbaasden zich over die malle vreemdeling uit het noorden. De eigenaar wist wat die snuiter hier zocht en hij vertelde het de aanwezigen. Het grootste deel van de route liep over het asfalt van de N630. Gedurende een half uur liep een leeftijdgenoot aan de andere kant van de weg te pogen een lift te krijgen wat hem uiteindelijk lukte. Jammer, het gaf best wel afleiding zo’n tochtgenoot. Na een uurtje wezen de gele pijlen naar een landweg en dat was een stuk beter. Rond een uur of vier arriveerde ik in een zeer warm Casar de Cáceres. In bar Joppemar was het een volle bak met tientallen Spanjolen die het zeer naar hun zin hadden. Aan de bar gevraagd naar een kamer. Uit de ongelovige reactie van de barman bleek dat het een heel domme vraag was in de periode van de Semana Santa. Diverse mensen bemoeiden zich ermee maar een jonge vrouw van achter in de twintig sprak vloeiend Engels. Zij legde uit dat maanden van tevoren alles al gereserveerd is omdat iedereen vrij heeft en “naar huis” gaat om het paasfeest thuis te vieren. Er werd druk overlegd. Er werden GSM-metjes getrokken en ik stond mij aangenaam te onderhouden met de jonge mooie Spaanse vrouw die in Madrid werkt en door de binnenkomende en vertrekkende mannelijke en vrouwelijke dorpsgenoten uitbundig begroet en gekust werd. Uiteindelijk werd ik gevraagd om mee te gaan met een auto. Het hele dorp werd doorkruist en ergens werd een sleutel opgehaald. Deze bleek van het gemeentehuis te zijn. Daar werd weer een andere sleutel gehaald en de refugio, die ligt aan het pleintje tegenover het gemeentehuis, ging niet open. Het was de verkeerde sleutel. De tweede poging lukte wel met enige moeite. De refugio was in september 1999 geopend en was zeer fraai. De helft van de matrassen zat nog in het plastic en er waren geen dekens maar wel matrashoezen waar je onder kunt liggen. Ik had immers mijn slaapzak opgestuurd naar huis. Er was een fraaie keuken, een verblijfruimte, twee slaapkamers met ieder 6 stapelbedden en in iedere slaapkamer op ongeveer 80 cm van de stapelbedden 3 deuren die toegang gaven naar of een WC of een douche. De deuren waren van hout en konden niet meer dicht vanwege het kromtrekken door het vocht. Echt Spaans ontwerp dus. Warm water en sop was er in de keuken genoeg en ook een emmer waarin de was kon weken. Deze werd buiten aan het piepkleine balkonnetje gehangen onder de verbaasde blikken van de lokale hangjeugd die uiteraard juist voor de refugio (waar slechts zelden iemand komt) hun ontmoetingsplek hebben. Na het wassen en poedelen is het dorp verkend. Alles, behalve de kroegen, is dicht. Het is Witte Donderdag, voor de katholieke medemens ongeveer de meest feestelijke dag van het jaar en daar had die ongelovige noorderling die bovendien uit een streng Calvinistische steek van Nederland komt geen weet van. De bar met de eerder genoemde jonge mooie Spaanse vrouw heb ik weer opgezocht met het idee de dame iets te drinken aan te bieden en nogmaals te bedanken maar ik was er nu de enige gast! Al die tientallen goed gemutste en goed geklede mensen waren foetsie. Het personeel zat wat verveeld aan de bar maar schonk uiteraard een biertje en ze waren niet te beroerd om een broodje klaar te maken. Verbaasd werd de refugio opgezocht waar een “proef” dutje onder het dekbedhoes werd gedaan. Na het wakker worden was er enig rumoer onder het raam. Een groep van vijf bikers stond onder het raam te delibereren. Eén van hen sprak goed Engels. Ik sprak hen aan vanaf de eerste verdieping en meldde dat ze wat mij betreft van harte welkom waren maar dat ik hun niet zomaar toestemming kon geven zich hier te installeren. Daar hadden ze begrip voor. In het gemeentehuis zou ook de politie gevestigd zijn en die zouden onderweg zijn. Na een klein uurtje waren de agenten er nog niet en toen heeft één van de twee dames aanhoudend gebeld bij het gemeentehuis en de deur werd geopend door een agent…..Hij was wakker gebeld tijdens zijn siesta. De fietsen werden de steile trap opgesjouwd en in de verblijfruimte gestald en de bikers gingen zich opknappen in de tweede slaapzaal. De WC’s met de half open deuren aan mijn kant werden gebruikt omdat aan de andere kant alleen douches waren. Inmiddels hadden een tiental tieners zich verzameld op de hangplek en uiteraard op de trap naar de refugio. Ik heb naar huis gebeld en naar schoonpapa die nu wel thuis is en de Engels sprekende Spanjaard heeft op verzoek van mij voor de volgende avond een kamer gereserveerd in een hostal op 37 kilometer afstand. De volgende dag was immers Goede Vrijdag en je moet niet altijd op je spreekwoordelijke geluk vertrouwen. Het telefoonnummer stond in de Spaanstalige routebeschrijving. Tegen tienen gingen we met z’n zessen in een restaurant schuin tegenover de refugio een hapje eten. De bikers komen uit Pontevedra, een stad die op circa 50 kilometer afstand ten zuiden van Santiago de Compostela ligt . Het zijn twee echtparen en een vriend. Deze laatste is sportleraar en heeft thuis een dochter van vier jaar. De andere man is een collega leraar. Eén van de vrouwen is verpleegster. Het gesprek kabbelt voort. De andere vrouw heeft in Nederland gefietst en ze is gek op “fietspad”. Ze geven mij hun adres met de mededeling dat ik, als ik problemen zou hebben, ik ten alle tijde kan bellen. In het restaurant zijn we de enige gasten. Menu del dia hield in: paella, chuletas de ternera, flan, koffie, wijn en water en dat voor Pts 1.100. Aan het einde van de maaltijd wordt gemeld dat de processie eraan komt. Snel wordt er afgerekend en we zijn te laat: de processie is juist voor onze deur aangekomen en we moeten naar de overkant. Langs de twee kanten van de weg lopen allemaal mannen in een lange rij. Het blijkt later de gehele mannelijke bevolking van dit dorp te zijn ofwel meer dan duizend personen, misschien wel tweeduidend. Ieder had een grote brandende kaars bij zich. Wat nu? Ik voegde mij voor korte tijd in de processie en na 10 meter wordt de straat gecrost een daar wordt nog eens 10 meter meegelopen. Er wordt verstoord opgekeken maar dat kon de ongelovige noorderling niet deren. Onder het schijnsel van mijn zaklantaarn werd in het zeer donker de deur naar de opgang tot de refugio geopend. Boven aangekomen werd dit nogmaals herhaald met de toegangsdeur naar de refugio. Vanaf het balkon hadden we een eerste klas uitzicht op de processie. Ongeveer tien (kleine) tableaus werden meegedragen. Ieder tableau werd door zes of acht man gedragen. De processie stopte op die momenten dat de tableaus nabij een bepaald punt waren. Aan het begin van de straat stond een zangeres, aan het einde een zanger. Als er een tableau stil hield, dan hief de zanger(es) een Spaanse klaagzang aan die in de muisstille straten door merg en been sneed. Het was een zeer indrukwekkend geheel. Vooral de grote devotie en de eenvoud in plaats van de pracht en praal van de grote stad maakten veel indruk. Op goede vrijdag dragen de vrouwen de processie en staan de mannen langs de kant. Dik na elf uur ging het gezelschap te kooi. Ik met al mijn kleren aan onder het hoeslaken. Het slaapt prima.
O |
m zeven uur sta ik zachtjes op. In het half donker wordt er van alles geregeld en ingepakt. Een zakje Van der Valk's oploskoffie wordt opgelost in een beker heet water uit de boiler en samen met een droog stuk brood vormt dat het ontbijt. Tegen achten staan ook de Spanjaarden op. Na een kort afscheid van één van de mannen stapte ik naar buiten. De weg voert door een desolaat landschap zonder bomen en nauwelijks met struiken. Hier en daar liggen of staan nog resten van de miliarios. Het is een trieste omgeving wat nog wordt versterkt door de miezerige regen en de lage bewolking. Diverse stops in de regen worden gemaakt. Een enorm stuwmeer, het “Embalse de Alcantara”, wordt gepasseerd en een tweetal bruggen die zo’n 15 – 20 meter boven de rivieren Almonte en Tajo worden eveneens genomen. Deze bruggen zijn vrij smal en het was voor mij met m’n hoogtevrees geen onverdeeld genoegen. Na 22 kilometer wordt Hostal Miraltajo bereikt. Hier wordt, nat en moe, een lange stop gehouden met een heerlijke tosti, Fanta Naranja en de schoenen uit. Bekijks genoeg. Na een uurtje wordt de rugzak weer omgehangen en stapte ik naar buiten, bijna in de armen van de vijf Spaanse bikers die in de achterliggende nacht ook in de refugio waren. Het werd een hartelijk weerzien. Eén van de vrouwen is op haar hoofd gevallen en heeft een flink verband boven haar wenkbrauw. Ik besteedde er aandacht aan en geef een voorzuchtige kus op het verband gevolgd door drie begroetingskussen. Dat was haar kennelijk te veel. Begint dat mens te brullen. Niet te geloven. Had ik naast een rugzak nog een jankende Spaanse vrouw aan mijn schouder. Haar man moest haar weer een beetje tot rust brengen. De tweede helft van de tocht was fraai. Het eerste stuk steeg behoorlijk. Het weer werd beter en ik heb tijdelijk de twee broekspijpen los geritst en op de grote schoenen laten zakken. Er waren toch geen medelopers in dit deel van Spanje. Het lopen ging goed. Fysiek was er dus geen vuiltje aan de lucht. Er was dus alle tijd om na te denken en dat gebeurde dan ook. Fréderique zou tijdens mijn afwezigheid het huis verlaten. Ik zou er niet bij aanwezig zijn. Toch jammer. Straks kom ik immers in een half leeg huis, hoe zou het met Ingeborg zijn en dergelijke. Boven op de berg aangekomen regent het al weer. Bah! De sokken worden alweer nat. Het gaat nu heuveltje op en heuveltje af. Toen ik nog een uurtje moest, passeerden de vijf bikers mij weer zonder te stoppen. Buen Camino! Ze waren kennelijk bang voor nòg meer tranen. In Cañaveral aangekomen vroeg ik de weg naar het gereserveerde hostal. Eén van de mannen sprak Frans. Dat scheelde. Beetje bijgepraat en aan de andere kant van het dorp was daar het “Hostal Malaga”, een ballentent van de eerste orde. Ik vervoegde mij aan de bar en daar stond ik twee minuten druipend van de regen zonder enig contact. Daarna kwam de vette uitbater vanachter de vette bar, wenkte mij geluidloos en ging mij voor naar boven. Hij wist van mijn komst en ik was kennelijk als zodanig herkenbaar voor deze Jan Doedel. Snel gingen de kleren uit. Er was geen mogelijkheid om gewassen kleding te drogen dus vandaag dan maar niet. Beneden is een biertje gedronken en een sigaar gerookt. Ongelofelijk smerig was het achter de bar. De koffie machine was dof van de vuile doeken die erlangs waren gehaald. Onder de koffiemolen lag een berg koffie die daar gevallen was. Bah! Vanwege de viezigheid besloot ik hier niet te eten. De Keuringsdienst van Waren zou deze zaak sluiten.
’s Avonds maakte ik een wandeling en bezocht het “ centrum” van het dorp. Ook hier was weer een processie en ook hier was weer een zanger die, zich vasthoudend aan een balustrade en hevig gebarend met zijn armen Spaanse klaagliederen over de mensen uitkweelde. Uiteraard is er naar huis gebeld. Tante Mieke en Joke zijn bij Fréderique en Jaap geweest
Gegeten is in “Restaurante-Asador Villa de Cañaveral”. Als enige gast ben ik hier zeer verwend. Een salade mixta, een pepper entrecote, en een zeer goede fles Extremadura. Koffie toe. Van het huis kreeg ik een flinke borrel aangeboden. Dat werd een Magno want Carlos III was er niet. Bij de tweede koffie werden harde candies geserveerd. Het was een goed adres. Moe maar voldaan ging ik naar bed.
R |
ond 03.00 uur werd ik wakker van het geluid van een feestje dat ergens in de buurt werd gevierd. Harde muziek uit een discotheek en harde stemmen en maar gestage regen en maar auto’s over de N630 die veel herrie maakten en waar ik misschien nog geen 5 meter vanaf lag. Om zeven uur gaat de regen over in harde regen. Wat te doen? Werkoverleg. Naar Galisteo is het 30 kilometer. De gids meldt dat de tocht door stuikgewas gaat en je moet goed opletten. Hierna is het 11 kilometer naar Carcaboso. Vanaf Carcaboso naar het eerst volgende dorp is het 38 kilometers in absolute eenzaamheid.
Buiten regent het flink, het is mistig met flarden en de wolken hangen laag. Geen plezierig vooruitzicht om te verdwalen. Bovendien is het de 13-de etappe. Besloten is om met de bus naar Plasencia te gaan. Dat is een mooie stad. Daar vandaan is het 15 kilometer lopen naar Carcaboso. Het lijkt een redelijk alternatief. Beneden in de nog steeds smerige bar zijn aardig wat mensen. Met moeite kon een ontbijt worden geserveerd. Aan een barbezoeker is gevraagd om een kamer te reserveren bij ene signora Elena te Carcaboso. Verder was er geen informatie bekend. De man deed zijn best en belde een nummer met dezelfde achternaam en na enig heen en weer gepraat kreeg deze Spanjool het juiste telefoonnummer en werd een kamer gereserveerd. Aan de dooie barman werd gevraagd hoe laat de bus naar Plasensia zou gaan. Eerst kreeg ik geen antwoord. Toen ik het aan een ander vroeg was het 10 uur volgens de dooie en later werd het halfelf. Gooi het maar in mijn pet. Na het afrekenen vroeg ik buiten aan een vrouw waar de supermarkt was. Die zat dus gewoon in hetzelfde pand als waar ik geslapen had. Ik had het niet gezien. Ruim voor tienen stond ik op een plek langs de N630 waar de bus langs zou komen. Inmiddels was mij al verteld dat deze op zaterdag niet rijdt. Toch ruim een uur gewacht want het regende pijpenstelen. Ik werd het hevig zat. In een bar bestelde ik koffie en een taxi naar Plasencia. De taxi chauffeur was net boodschappen aan het doen geweest voor zijn vrouw en stond eigenlijk recht voor de deur te wachten om te kunnen oversteken. Ruim een half uur rijden was het naar deze grote stad. Dat kostte dan ook Pts 4500, een heel bedrag voor een pelgrim maar een dag lopen werd er wel mee bespaard. De taxichauffeur heeft netjes aangegeven hoe ik op de juiste manier de stad weer uit kon komen in de juiste richting. Ook Placensia werd behoorlijk gerenoveerd dus waren we al vrij snel vast gelopen in het weekend verkeer. Nabij de Plaza Mayor werd ik gedropt. Het regende. De kathedraal, die ook al in de steigers stond, is bezocht. Achterin was een museum waar toegang betaald moest worden. Aan een jongeman die geld zat te innen is een stempel voor het Credential gevraagd. Die was hier zeer verguld mee. Eerst werd aan zijn collega uitgelegd wat de bedoeling was en daarna gingen we samen naar de sacristie. Een kast werd ontsloten en met onverholen trots werd het stempel getoond. Een heus Vía de la Plata stempel met de beeltenis van Jacobus. Wat wil je nu nog meer? Een poosje heb ik in de kerk gezeten, in een winkel zijn wat kaarten gekocht en in een bar is koffie gedronken. De uitvalsweg naar Carcaboso was snel gevonden en werd begonnen aan de 15 kilometer lange lokale weg. De wind waait de poncho hinderlijk op dus alles was tot drie keer toe weer kledder nat. Midden in de derde regenbui, op 3 kilometer afstand van Carcaboso stopte een oud Corsa-tje met een veertiger erin samen met zijn tiener dochter. Dezen boden mij een lift aan. De druipende poncho en dito rugzak gingen achterin en de dampende pelgrim nestelde zich voorin. Het was zeer vriendelijk van deze mensen. Ze brachten me naar bar Pacense waar de man gelijk de gokkast besprong omdat deze even onbezet was en signora Elena al op mij zat te wachten. Dat is nog een service! Signora Elena wilde me gelijk mee hebben naar haar business maar eerst moest er een drankje worden aangeboden aan de gastvrije Spanjaarden. De signora greep de zak met pelgrims boodschappen en nam me mee naar haar hostal, een paar deuren verderop. Boven had ze vier kamers en een badkamer. Slechts één kamer was gereed dus de keuze was niet moeilijk. De handdoek die badlaken was geworden werd later aangereikt. Heerlijk is het om na zo’n dag warm te douchen en weer droge kleren aan te trekken. Nadat de was en de poncho verzorgd waren, is het dorp verkend. De flechas amarillas werd snel ontdekt en is de route door het dorp gelopen zodat er de volgende dag niet gezocht hoeft te worden want de etappe van de volgende dag is met z’n 38 kilometer een etappe van de eerste categorie. Terug in de bar is een bruin biertje, een Voll Damm genuttigd en die zijn erg lekker wist ik nog uit de jaren ’80. Pelpinda’s en een gekookt ei completeerde het grote genieten en de dag was weer goed. Terug in de hostal is een dutje gedaan en toen de blaas ging opspelen bleek dat de zoon des huizes uitgebreid toilet aan het maken was in de badkamer.
Tegen tienen ‘s avond werd een restaurant opgezocht. Eigenlijk was het “het restaurant” want er was er maar één. De naam is Las Golondrinas ofwel De Zwaluwen. Het is onbegrijpelijk dat in the middle of nowhere zo’n fraai ingericht complex is. Veel chroom en blauw met plaats voor veel meer dan honderd personen. Ruim opgezet en goed te gebruiken voor feesten, bruiloften enzovoorts. Drie tafels waren bezet totdat ik binnenkwam. Toen waren het er vier. Asperges in de mayonaise op een bedje van ijsbergsla, een salade mixta, cerdo de lomo, vier stuks, patatas fritas, flan, een fles rode wijn voor het lieve bedrag van Pts 1.200. De koffie was duur: Pts125. Thuis aangekomen is alles netjes gereed gelegd voor de volgende dag.
Zondag 23 april Carcaboso – Aldeanueva del Camino, 38 km
|
’s |
Nachts ben ik een paar keer wakker geweest. Om halfzeven komt de zoon des huizes thuis met een vriend. Ze hebben een kamer naast de mijne. Op de gang komen we elkaar tegen. Gauw de badkamer in voordat de jongens daar uitgebreid gebruik van gaan maken. Ze gaan maar naar buiten. Na het douchen worden een paar Choco Princen en een halve liter water als ontbijt verslonden. Signora Elena komt om kwart over zeven kijken of ik al wakker ben (of komt ze naar haar kind kijken?) Vol goede moed stap ik naar buiten waar het droog is. Onderweg naar de rand van het dorp kom ik langs een bakker die een nog warm broodje voor mij inpakt en vervolgens tref ik een viertal zéér dronken jonge mannen aan die nog even gezellig met de vreemdeling willen praten. Dat kon dus. Van alles vroegen ze en een alcoholische versnapering werd vriendelijk maar beslist afgewezen. Na vijf minuten is er afscheid genomen en begon de tocht. De beschrijving in het boekje is niet helemaal conform wat ik heb gezien. De tocht is mooi maar de pijlen staan erg ver uit elkaar zodat er soms twijfel is aan de juistheid van het gevolgde pad. Er moest over verschillende muren worden geklauterd. Het land en dus ook de weg waren erg zompig. Hekje door, muurtje over, beekje over. Zo ging het maar door. Gelukkig was het droog maar wel winderig. Rond twaalf uur werd de triomfboog van Caparra bereikt. Naast de boog is een opgraving van een Romeinse nederzetting en op de oude stenen heb ik zitten lunchen, vers stokbrood en smakeloze smeerkaas en zijn de kleren gedeeltelijk gedroogd. Om halfdrie was de beek die dwars over de weg liep te breed en te diep. Dus schoenen uit en pijpen afritsen. Aan balen geen gebrek. Na een half uur werd hetzelfde ritueel nog een keer opgevoerd. Weer een te diepe en te brede beek voor een gewone, droge, oversteek. Uiteindelijk werd een lange asfaltweg bereikt. Het boekje beschreef de situatie hier ter plaatse anders dan ik aantrof. Na een kilometer lopen begon de twijfel want er waren geen pijlen meer maar na ruim een half uur ontmoette ik een Duitser op een paard die onderweg was naar Sevilla. Gedurende een paar minuten is er wat informatie uitgewisseld en gerustgesteld ging ik verder want de richting was in ieder geval goed. Het was de eerste mens die ik deze dag na het vertrek sprak en de tweede die ik zag! De oversteek van de derde beek kon worden ontweken door over het talud van de inmiddels bereikte N630 te klauteren en een stuk om te lopen. Vervolgens moest een hoog hek worden overwonnen en dat ging niet meer met de rugzak om de schouders. Ik was te moe en had geen kracht meer. Dus rugzak af, over het hek laten zakken. Klimmen en de zaak weer om doen. Voor het eerst loop ik midden in het weiland mij af te vragen of dit nu datgene is waarvoor ik ben gekomen en hoe ik het tot een goed einde kan brengen. Dit begint meer te lijken op een overlevingstocht dan op een gezellige wandeling. De pijlen leiden over een muur met veel prikkeldraad. Ruim 100 meter ernaast is een makkelijke passage. De weg is lang, de Spaanse kilometers zijn geen Nederlandse kilometers. Meerdere keren is gerust met steeds kortere tussenposes. Uiteindelijk kom ik in de plaats van bestemming: Aldeanueva del Camino. Op het muurtje van een tuin rust ik voor de laatste keer uit. Twee honden blaffen dat het een lust is en van de aangesnelde Spanjaard hoor ik dat het hostal op 2 kilometer afstand aan de andere kant van het dorp ligt. Dat ontbrak er nog aan. Voor het eerst in mijn herinnering heb ik deze kilometers bijtend op mijn tanden gelopen. Zeer moe kwam ik hostal-restaurante “Montesol” binnen. Een kamer was zo geregeld. Na het wassen en plassen naar beneden in de bar voor een biertje. Het is behoorlijk druk voor de tap. Wel 20 man waren er dus duurde alles lang. Een jonge vrouw was smoorverliefd en vroeg veel aandacht maar de TV stond aan en die dooie Spanjaard had absoluut geen enkele belangstelling voor het vrouwtje die daaruit de conclusie trok dat ze nòg meer haar best moest doen om aandacht te krijgen. En dat gebeurde dus aan een tafeltje op 3 meter afstand. De keuken was nog niet open dus is er maar een dutje gedaan. Gepland was een half uurtje. Het werden er twee. Beroerd van vermoeidheid
liep ik de trap af voor de warme hap ofwel het menu del dia. Het werd lauwe macaroni, een schnitzel van rundvlees, flan en koffie. De wijn smaakte mij niet. Kan je nagaan. Een paar oude kranten werden geregeld ten behoeve van de doorweekte schoenen. De was hangt buiten onder een soort afdak.
Ik realiseerde mij op dit moment overduidelijk dat de lat erg hoog ligt….. Dat is ook tijdens het telefoontje met het thuisfront gemeld.
K |
wart over zeven eruit. De sokken zijn nog nat. Dan maar weer het rode paar aan en de grijze op de rugzak. Wordt het reisplan aangepast? Ik heb geen spierpijn. Eerst maar eens ontbijten. Tostados met marmelade en thee. Het is verbazingwekkend maar het is altijd druk aan de bar in dit soort tenten. Een broodbezorger die aan de pure cognac stond te likken had geen brood voor mij maar wèl veel jeuk in z’n kruis. Dat was een geluk bij een ongeluk. De totale rekening inclusief eten, versnaperingen en telefoon kwam op Pts 4.022. Niet gek. Na het ontbijt stapte ik naar buiten en de vraag was: waar naar toe. De dag tevoren had ik in het geheel niet opgelet en de vraag was gaat het links af of rechts af de N630 af. Na een aarzelend stukje links af ben ik eerst rechts af gegaan om later weer op mijn schreden terug te keren. Evenals de vorige dag is de beschrijving èn de bepijling wat pover. Langs de N630 is in deze streek maar weinig ruimte naast de doorgetrokken streep. Zo’n 30 cm blijft er slechts beschikbaar. Direct gevolg is dat de pet die ik draag door de zuiging van een vrachtauto wordt afgetrokken. Dat was dus schrikken. De eerste Nederlandse caravan die passeert toetert. Dat is nog eens een riem onder het hart! Stil loop ik te hopen dat andere auto’s dat ook zullen doen. De volgende vier Nederlandse caravans die binnen een uur passeren geven geen teken van medeleven. Jammer. Na 5 kilometer wordt gestopt bij een camping die een groot restaurant heeft en dus ook koffie. De broodbezorger met jeuk stond hier achter de gokkast zijn verdiensten aan te vullen. De N630 werd verder gevolgd tot in Baños de Montemayor, een plaatsje waar men veel schijnt de doen met pitriet. Het gemeentehuis was open en de dame van de lokale VVV, die door één van de aanwezigen uit de catacomben van het kantoor was opgehaald, stempelt de Credential af. Aan een vrouw is gevraagd of er in dit dorp een “caja” , een bank is. Volgens haar niet. De weg liep steil naar boven. Vijfhonderd meter verder en 50 meter hoger, bijna boven gekomen heb ik nogmaals gevraagd naar een bank. Die was er uiteraard maar daarvoor moest ik weer bijna helemaal naar beneden. Omdat de bodem van de schatkist al in zicht was, is ervoor gekozen om toch maar naar de bank te gaan. Op 10 meter afstand van de “Caja Automatico” vroeg ik waar de bank was. Deze bevond zich achter de tralies van een gevel. Geen wonder dat je het bijna niet kon zien. In de bar naast de bank is toen maar genoten van de specialiteit van het huis. Een soort “ Speckplatte” die hier “ Plato Iberico” schijnt te heten. De chorizo heb ik afgeslagen. Verder smaakte alles erg lekker. De tocht werd verder gevolgd langs de 20 cm van de N630 die voor pelgrims is bestemd. Ik had geen puf om de sterk stijgende straatjes weer op te zoeken met het bijbehorende steile pad. Ik nam de N630 die hier een aantal zeer scherpe haarspeldbochten maakt. Vrachtwagens hebben de hele weg hier nodig om de bochten door te komen. Betrekkelijk comfortabel maar met aanzienlijk meer meters in de benen kom ik onder de top weer op de officiële route om na 200 meter weer op de N630 te komen omdat hier de top van de heuvel is. Het is de Puerto de Béjar. Een klein stukje verder hangt een bord met de mededeling dat men hier “sellos”, dat zijn de stempels voor de pelgrims, afgeeft. Het blijkt een bar te zijn waar ik onmiddellijk na mijn binnenkomst werd benaderd met de vraag of ik voor een stempel kwam. Het antwoord was positief en uiteraard is gelijk iets fris gedronken. Het is een mooie dag. De weg is behoorlijk steil en beweegt zich tussen de nauwe dalen van verschillende bergruggen. Het was een flinke klim langs de oude Romeinse weg. Bij de “Puente de Magdalena” stond de laatste miliario die ik deze reis gezien heb. Bij een huis met opschrift “Navarredonda” is de route verlaten en begon de lange klim naar Béjar, volgens het boekje zo’n 5 kilometer maar het kostte wel twee uur om in een hostal te komen. Béjar ligt ingeklemd tussen de bergen. De N630 loopt boven de stad over een hoog viaduct. In de stad zijn veel hoogteverschillen en het bestaat uit een soort lintbebouwing. Het eerste Hostal was vol, het tweede ook. Dat ging niet goed. De Spanjaarden geven overigens wel netjes aan waar je kunt proberen wat te vinden. Het derde adres, uiteraard aan de andere kant van de stad, was bingo. La Otra Casa met een erg aardige vrouw als beheerster. Tweepersoons kamers waren zesduizend, éénpersoons kamers vier en een half maar die waren niet beschikbaar dus kreeg ik een tweepersoons kamer voor drieduizend peseta’s. Dat is nog eens zaken doen! Het was de mooiste kamer met marmeren vloer enzovoorts van de hele tocht. De rekening diende wel gelijk betaald te worden. De stad is verkend en boodschappen werden gedaan. In de televisiekamer van het hostal zat de zoon des huizes zijn huiswerk te maken en ik zat aan een andere tafel het dagboek bij te werken onder het genot van een biertje, een knabbeltje en een sigaartje. Het leven is zo slecht nog niet. Nadat alles gedaan was gedaan dat moest worden was het tijd voor een dutje. Morgen slaap ik bij de pastoor. Rond kwart voor tien wekte de druk op de blaas de pelgrim en het restaurant waar de keuze op gevallen was tijdens de stadstour en dat op slechts 50 meter afstand was gelegen werd bezocht. Specialiteit van het huis is gestoofd lamsvlees. Met vooraf een Sopa de Ajo (knoflooksoep) en erbij een fles wijn was het een goed verblijf. Voor de tweede keer tijdens de tocht heb ik hier echt lekker gegeten. Na het eten is naar huis gebeld. Alles gaat goed.
T |
ot 03.00 uur heb ik prima geslapen. Hierna werd het hanewaken en piekeren. Het boekje beschrijft de route als drassig en "“.... komen we bij de Sangusin rivier en hier moeten we een doorwaadbare plaats zoeken om op de kleine asfaltweg aan de overkant te bereiken…”. Als zo’n onheilsboodschap eenmaal in het hoofd aanwezig is, dan is het moeilijk om ervan af te komen. Wat kan ik verwachten? Hoe zal dat daar gaan? Hoe breed is de rivier? Hoe diep is de rivier? Daarnaast is 25 april de verjaardag van mijn moeder die in 1978 is overleden. Ze zou 94 jaar geworden zijn. Om halfacht eruit. Lekker douchen in een moderne en schone badkamer. Na het karige ontbijt is buiten in een juppentent een kop koffie gedronken en op de taxi standplaats een taxi genomen naar het punt waar ik gisteren de Ruta heb verlaten, dus bij “Navarredonda”. Het was uiteindelijk 7 tot 8 kilometer naar dit punt en de weg zou nu stevig dalen. De rit kostte Pts 900. Dus dat viel alweer mee. Nadat de bepakking weer in orde was gemaakt stapte ik in de modder van het pad. Freddy beschrijft het in zijn boekje als volgt: “We zoeken de gele pijlen terug en ze sturen ons rechts een aardeweg op. Het gaat steil omhoog, enkele bochten en dan minder steil omhoog”. De vergezichten zijn fraai, in de verte op de hoge bergen ligt volop sneeuw. De rivier waar ik wakker van heb gelegen was maar 6 meter breed en slechts een halve meter diep. Het viel dus tegen, of was het mee? Een poosje heb ik zitten opdrogen in de wind en is een bekertje yoghurt gegeten. Later blijkt dat ik hier een koutje heb opgelopen. De rest van de weg is winderig. In Valverde de Valdelacasa is wel een bar maar die is dicht. Tegenover de dame in de supermarkt spreek ik daarover mijn teleurstelling uit waarop zij de bar opent want deze bevindt zich in feite aan de andere kant van het pand. De café americano wordt gemaakt door oploskoffie (décafinado) te vermengen met in de magnetron warm gemaakte melk. Brrrr maar het was warm. Het broodje kaas werd opgediend als raciones: een tiental repen kaas met een paar sneetjes stokbrood. Er was zoveel kaas dat een tweede portie stokbrood gevraagd werd. De Spanjaarden begrijpen niets van de noden en de wensen van de pelgrims. Terwijl ik rust en eet wordt de hele bar gemopt en gepoetst. Een kind houdt de vreemdeling onafgebroken in de gaten. Verkwikt en een beetje aangedikt ging de tocht koud winderig verder terwijl het steeds maar dreigt te gaan regenen. Er zijn verschillende mogelijkheden om op de plaats van bestemming te komen: langs het aangegeven pad of langs de weg. Gekozen werd voor het pad dat, naar later bleek, over grote lengte onder water stond. Op enig moment ben ik over een muurtje geklommen om aan de andere kant een droge weg te vinden. Niet dus. Diverse muurtjes zijn gecrost . Op enig moment wankelde zo’n muurtje en toen werd het me te link. Terug naar het officiële pad. Ondertussen was ik bijna verkeerd gelopen omdat de muurtjes niet parallel lopen. Kortom, kommer en kwel. Bij Fuenterroble de Salvatierra werd het gezicht in de plooi getrokken en werd er geklopt op de deur van de refugio. Geen reactie. Donders. De bovenste helft van de deur gaf mee en zo kon de onderste helft worden geopend. Alles was aarde donker. Wat nu? Terug naar buiten. Daar kwam al een oude dame aangesneld, de overbuurvrouw. Zij had mij natuurlijk allang gezien want zij zit de hele dag achter de sanseveria’s te kijken wie er komt. Zij ging mee naar binnen, de woonkamer in. Een geweldige hoeveelheid papierwerk lag in deze ruimte en er stond een lange blonde Hollander: Ton Westen uit Drente. Ton stond in de keuken eten klaar te maken. Het liep uiteindelijk tegen vijven. Eet je mee? Ja, natuurlijk. Het was een stuk vis, gesmoorde groente en brood van gisteren. Het was in ieder geval warm. Tom was hier een aantal dagen geleden gestrand. Zijn vrouw lag ziek op bed en ze wachtten op medicijnen die uit Salamanca moesten komen. We hebben wat bijgepraat, de openhaard wat opgepord, kleren gewassen en gedoucht. Hierna komen er vijf Spaanse bikers binnengespoeld want aan regen is er geen gebrek. Tom regelt één en ander want hij spreekt Spaans en hij fungeert tijdens zijn oponthoud als een soort jeugdherberg vader. Ik verhuis mijn spullen van de grote slaapzaal naar de kleine slaapzaal, het portaal voor de kamer van Tom en Vera.
Vera komt uit bed en eet een beetje. Ook met haar is een beetje gekeuveld. Ik wist dat er een Nederlands koppel een aantal dagen voor mij liep. De open haard werd flink opgestookt want de was moest drogen. Intussen waren er nog twee bikers binnengekomen. Een erg klein vrouwtje samen met een dwergmannetje. Tussen de buien door is een bar bezocht. In de zijkamer was een kleine kruidenierswinkel die alleen via de bar bereikbaar was. Om zes voor achten meldt de pastoor Don Blas zich in spijkerbroek en T-shirt met de mededeling dat de Heilige Mis over zes minuten zou aanvangen. Niemand van de aanwezigen ging ter kerke. Om vijf voor halfnegen was hij alweer terug. Ik zit lekker voor en naast de openhaard die door alle aanwezigen wordt gestookt. De was droogt voorspoedig. Keuvelend wordt het negen uur. Tijd voor mij om ertussenuit te knijpen richting avondmaal. In de bar is het erg kaal Achterin hangt een doek ter afscherming van alles wat zich erachter bevindt. Comer? Eten? Ja hoor, altijd mogelijk. Er staan twee tafels met een wit vel papier er over maar er wordt een derde tafel voor mij alleen gedekt. Een aanwezige man, beduimeld en ongeschoren, begint uitgebreid te kletsen tegen mij. Geen idee waar hij het over had. De barman meldt dat deze viezerd de kok is en de specialiteiten staat aan te prijzen. Geen idee wat hij in de aanbieding heeft. Si zeg ik en de kok gaat naar achteren. De vijf bikers zijn inmiddels gearriveerd en nemen plaats aan de grote gedekte tafel. Later zullen ook de dwergen volgen. Vooraf is er soep van het huis. Van alles wat. Grijnzend serveert de kok daarna een ongekend grote ribeye met flinke stukken vet eraan. Snel geschat weegt de lap vlees die aan alle kanten over de rand van het bord hangt, een kilogram. Vier mooie stukken van ongeveer anderhalf ons worden uitgesneden. Terwijl het tweede stuk smakelijk wordt verslonden bedenkt ik mij dat ik één of twee stukken mee naar de refugio kan nemen voor morgen op brood. Het derde stuk laat zich makkelijk verwerken en met enige moeite verdwijnt uiteindelijk ook het vierde stuk naar binnen. Voor morgen is er energie voldoende voorradig. Ruimte voor een toetje was er niet maar wel voor een koffie met een brandy. De uitbater vond dat laatste erg leuk dus werd de bovenste helft van het cognacglas ook volgeschonken. Een tweede koffie was nodig om van de traktatie optimaal te kunnen genieten. Terug in de refugio was het er warm en gezellig druk doordat de pastoor er was met enige dorpelingen. Er was een mand met hardgekookte eieren en ieder deed zijn best om er een paar te eten. Een soort cake werd eveneens rondgedeeld. Ik had niet zo erg veel trek. Mijn bed was, omdat het als zodanig niet herkenbaar was, ingepikt door het kleine vrouwtje. De dekens, die hard nodig waren omdat de slaapzak terug was gestuurd, werden terug geconfisqueerd.
Refugio in Fuenterroble bij Don Blas
In Fuenterroble de Salvatierra is in 1998 een begin gemaakt met de bouw van een refugio door een jonge pastoor, Don Blas, met behulp van zijn parochianen. Beneden zijn diverse ruimtes waar allerlei bijeenkomsten gehouden kunnen worden. Boven zijn twee slaapzalen met bedden, dekens en matrassen (afdankertjes). De trap naar boven was indertijd belegd met dikke planken die met cement waren “vastgeplakt” maar de lijm hield kennelijk niet zo goed en vier planken van ieder zo’n 5 cm dikte ontbraken op de trap. Vooral ’s nachts in het donker was het niet makkelijk om van deze trap af te lopen. Sanitair was in voldoende mate aanwezig maar op de verkeerde plaatsen was er warm water. Het dakbeschot moest nog worden aangebracht enzovoorts. Kortom, deze refugio was met de Spaanse slag opgericht. De gastvrijheid is ongekend. Kom maar binnen en neem maar uit de keuken wat je belieft. Dat is uniek. Tom en ik zaten in de huiskamer wat te praten. Komen er twee jongens van 14 jaar binnen en vragen om een schroevendraaier. Tom wist die niet te liggen maar de jongens trokken een la van het dressoir open en vonden hem. Twee oude dames, de overbuurvrouwen, houden vanachter de plantjes de boel de gehele dag in de gaten.
|
T |
egen zevenen op. De lilliputters volgen. Ik kleedde mij aan zonder te wassen want dan zou de handdoek weer nat worden en dat is ongemakkelijk onderweg. In de keuken van de pastoor wordt thee gezet. In de kastjes bevinden zich grote hoeveelheden van van alles behalve suiker. Dan maar zonder. In de keuken staat een hele aangesneden kaas en dat lust ik ook. Van gisteren liggen er nog hardgekookte eieren dus die moeten er ook aan geloven. Uit een grote doos worden twee fraaie exclusieve Credentials weggenomen. Eén is er voor Jack. Uiteraard worden de Credentials voorzien van een stempel van deze refugio. In een enveloppe is een donatie en een briefje voor Don Blas achtergelaten. Deze dag zou weer een dag worden zonder een ontmoeting omdat er geen dorpjes werden aangedaan. Het zijn lange stukken. Op enig moment is er een aanwijzing door het hek terwijl een stukje verder de pijlen weer buiten de afrastering staan. Na 500 meter is er teruggekeerd en is de andere kant van de afrastering genomen. Zo’n 600 meter verder bleek dat ik mij toch aan de verkeerde kant van het prikkeldraad bevond en de koeien stonden al aardig dichtbij. Dus over het draad geklauterd. Eerst de rugzak. Dan het buiktasje en de stok en dan 95 kilo pelgrim. Goed steunend op de handen lukte het zonder kleerscheuren aan de goede kant te komen. Na 100 meter was er een hek in de afrastering….
Halverwege de tocht was er een lange klim van 5 kilometer door bosjes, struikgewas en langs gestapelde muren naar het hoogste punt van de hele tocht op 1140 meter boven de zeespiegel, de top van de Sierra Dueña. Aan de rechterhand had men een ruime blik over de vlakte waarin een bijzonder fraaie boerderij lag met er omheen uitgestrekte weilanden met daarin stieren die vredig liepen te grazen. Boven op de berg lag een man die herder bleek te zijn te slapen maar door het gekras op de rotsen van de wandelstok werd hij alert en kwam hij overeind. Een paar minuten hebben we wat beleefdheden uitgewisseld. Op de top staat een Jacobuskruis achter prikkeldraad. Het is niet te geloven maar op deze door God en iedereen verlaten plek liggen er wel bloemen aan de voet van dit kruis. De weg naar beneden is afwisselend. Eenmaal beneden aangekomen is de weg saai en blijft de weg saai. Er is nauwelijks (geen) verkeer en het asfalt is recht. Deze streek, de Campo Charo, worden veel stieren gefokt en dat is te zien, onder andere aan de grote afmetingen van de landerijen. Ook zijn er veel zwarte varkens te zien. Uiteindelijk is er de afslag naar San Pedro. Er is in de verste verte niets te zien maar na een paar honderd meter lopen kan men naar beneden kijken en daar, vlakbij, ligt het dorp!. Eindelijk zit het eens een keer mee. Het dorp zelf stelt niks voor. In een bar vraag ik naar signora Mari-Carmen en die staat dus achter de bar. Het zat alweer mee! Zij wist, zonder dat ik wat gevraagd had, al gelijk wat de bedoeling was maar eerst werden haar vier kinderen van 4–10 jaar ernstig (luidruchtig) de lesgelezen op een zodanige manier dat de ruiten rinkelden en dat de aanwezige mannen (tijdelijk) wijselijk hun mond hielden. Zo dat was dat. Ik werd meegnomen naar een huis dat op 50 meter afstand ligt .
Mari Carmen de la Iglesia
Mari-Carmen heeft iets met pelgrims. Wat en Waarom? Dat weet ik niet. Het is een volbloed Spaanse vrouw van in de dertig die mank is aan één voet als gevolg van een auto ongeluk. Ze heeft vier kinderen, de één na jongste is een meisje die door haar twee oudere broers in de mangel wordt genomen en de hele tijd de aandacht van haar moeder vraagt met allerlei smoesjes. De oudste jongens zijn een stelletje plaatboeven die constant iedereen en elkaar uitdagen. Ik meldde mij bij de bar en met Mari-Carmen ging ik samen met haar naar het appartementencomplex. Dat bestaat uit drie slaapkamers, een verblijfruimte, een badkamer en een keuken. Het pand is zeer geschikt voor langstrekkende vreemdelingen om te overnachten. Het was er heerlijk koel. Niet warmer dan 10oC. Gelukkig was er ook een elektrische radiatorkachel. De wasmachine was uitgedraaid dus ging er een nieuwe was in, de slaapkamers waren niet opgeruimd dus één werd even op orde gemaakt, de radiator in de keuken was lek dus deze stond blank en de jongste maar aandacht vragen en ruzie zoeken met haar broers. Ik ging buiten een sigaartje roken en de schoenen ontdoen van modder. Na het drogen zijn ze in het vet gezet. De was, die Mari-Carmen uit de wasmachine haalde, werd gedroogd aan draden die tegen de muur naast de bar waren gespannen en in feite de rand van het voetbalveld van de twee zoons vormden. Later moest de was naar binnen in verband met de regen. Mari-Carmen drapeerde dat rond de potkachel die in de hoek van de bar brandde. Intussen onderhield ze zich met de barbezoekers en tapte de drankjes en zorgde dat de vreemdeling wat te eten kreeg. En haar man? Die zat aan de bar met zijn vrienden te ouwehoeren en was sacherijnig toen hij, in de bar, apart van de kinderen een maaltijd voorgeschoteld kreeg. De kinderen zaten elders aan een kippenpoot te kluiven. Pas als die voldoende schoon was mochten ze aan de traktatie beginnen: uit een McDonalds een doos met een echte hamburger. De één na oudste zoon kwam tot zes keer bij zijn moeder die de was zat te vouwen met zijn bord om te laten zien hoever hij was met het kipkluiven. Ik had het met deze vrouw te doen. |
Het wassen van de pelgrimswas was geen succes want de warmwatervoorziening liet het afweten. Met koud water en waspoeder gaat het weliswaar ook maar ik geeft de voorkeur aan warm water. Dat geldt trouwens ook voor het douchen. De koud gewassen was is in de koude wind te drogen gehangen. Koud van lijf en leden werd de bar opgezocht. Het biertje was koud, de olijven ook. Terug in het huis brandde de radiatorkachel op 10 met de was er omheen gedrapeerd. Een beetje brood is gegeten met daarop smeerkaas dat naar niets smaakt. Ik haalde een deken uit de slaapkamer en in een grote rieten stoel bij de TV wikkelde ik mij in de nabijheid van de kachel in de deken. In het dorp (100 huizen of waren het er 150?) is brood gekocht en enige kruidenierswaren
Eindelijk werd ik warm en sloot ik de ogen voor een uurtje om daarna van de kou weer wakker te worden. Wat is dit nu weer? Is dit het gevolg van een gebrek aan eten?
De maaltijd in de bar bestond uit soep met alles erin en de keuze was merluza (witvis) of kip. Gekozen werd voor het laatste. Ik heb hier best lekker gegeten. De drie oudste kinderen waren nog steeds met elkaar aan het rotzooien, de klanten liepen in en uit en de TV werd regelmatig doorgezapt. Koffie met een borrel toe smaakte prima. Eindelijk was ik lekker warm. Met het thuisfront is gebeld en voor de volgende dag om 08.00h een afspraak gemakt voor een ontbijt. Thuis in het huisje bleek dat de warmwatervoorziening het weer deed dus werd alsnog de “avondkleding” heet gewassen en werd geslapen in de inmiddels droge “loopkleding”. De verwarming brandde ook dus was het lekker warm. In deze nacht heb ik prima geslapen.
H |
et is een bewolkte dag en koude dag maar het is rustig weer en het is droog. De bar was gesloten maar de 10-jarige zoon zat al naar de TV te kijken en neemt de honneurs waar. Diverse mannen komen een borrel halen die door het ventje worden verstrekt. Voor mij is er thee met vruchtensmaak. Ook de tweede thee smaakt zo, ondanks mijn aandringen wat behoorlijks te geven. Inmiddels ben ik begonnen aan mijn eigen brood want het jong doet niets behalve naar de TV kijken. Tot twee keer toe wordt hij naar achteren gestuurd om zijn moeder te halen want ik moet nog afrekenen. Tegen halfnegen komt Mari-Carmen hinkend, gapend en ruftend in een trainingspak de bar binnen en kan er worden afgerekend. Ze is teleurgesteld dat ik niet wacht op het ontbijt maar het heeft nu al lang genoeg geduurd. Met de jas aan tegen de kou ga ik op weg, terug naar de Ruta de la Plata.
De weg naar Salamanca is saai en weinig afwisselend. Het voert zoals gebruikelijk langs eindeloze rijen stenen muurtjes, door hekken, over veeroosters, door weiden met loslopend vee en over onverharde wegen. Op enig moment liep ik op een weg met een breedte van circa 5 meter met aan beide zijden prikkeldraad. Diverse jonge koeien stonden op het pad te grazen. Ruim op tijd maakte ik geluid om de beesten te waarschuwen dat ik eraan kwam en ze niet te laten schrikken. Uiteraard deden ze dat wel. Alle koeien op één na piepten langs mij en bleven in de buurt van de kudde aan de andere kant van het prikkeldraad. De laatste werd als het ware door mij opgejaagd. Gedurende een kwartier heb ik haar gezien, daarna raakte ik haar kwijt.
De weg is hier goed gemarkeerd en het loopt gemakkelijk. Zoeken naar aanduidingen is er niet bij. Salamanca zie je al op tien kilometer afstand liggen. In de buurt van de buitenwijken ligt, zoals bij veel Spaanse steden een enorme hoeveelheid afval gedumpt. Ik was er nog getuige van dat een viertal autobanden uit een auto werden gegooid. Bij de woonbebouwing was het verwarrend. Er waren meerdere pijlen die in verschillende richtingen wijzen. Het vermoeden bestaat dat een “slimme” uitbater hier de hand in heeft gehad. De fraaie Romeinse brug over de Tormes stond geheel in de steigers en was, ondanks een zoektocht naar een mogelijke opening, niet te passeren. Op 500 meter afstand ligt de volgende brug alweer dus is er een kilometertje omgelopen. Salamanca heeft alles van een grote Spaanse stad: veel toeristen en de daarbij behorende rommel zoals rondrit treintjes, Afrikaanse kunst, zwervers, lotenverkopers en bedelaars enzovoorts. De grote kathedraal stond, zoals zoveel in Spanje, ook al in de steigers. Via de Calle Mayor ging het naar de Plaza Mayor. Daar zou een hostal zijn. Ik heb het niet gevonden. Twee straten achter de Plaza Mayor was een Hostal. Aangebeld, komt u maar boven werd gezegd door de intercom. Boven aangekomen werd ik gemonsterd door een man en die vertelde mij, nadat ik weer om een kamer voor één nacht vroeg, vervolgens dat hij vol zat. Barst. Het volgende hostal was volgens het briefje op de deur wegens verbouwing gesloten. Het zal wel, dacht ik. Toen ik na 20 meter lopen omkeek zag ik dat er alleen een voorgevel stond. Alles erachter was weg. Bij het derde adres was het raak: na twee keer bellen werd via de intercom gecommuniceerd en kon ik naar boven. Een oud en zeer krom dametje liet mij binnen. In een flatgebouw bevonden zich circa 10 kamers. De éénpersoonskamer lag geheel binnen en kostte daarom slechts Pts1.500. Douche en WC op de gang. Dat was precies wat ik zocht. Op verzoek werd er een handdoek aangereikt en na een stief kwartiertje kwamen ook de sleutels en het wisselgeld. Rond 15.00 uur ging ik de stad in met de route beschrijving van Salamanca in de hand. De stadsbeschrijvingen zijn wat pover maar het rondje is keurig gelopen. In de kathedraal beschikt men niet over een stempel dus is een stempel in de bibliotheek gehaald bij een zeer meewerkende jongeman. Gezocht is naar de weg van morgen. Het is altijd handig als je weet welke richting je opmoet want ’s morgens zoeken onder tijdsdruk is sterk af te raden. Het was behoorlijk zoeken en uiteindelijk op de kaart van de VVV bleek wat het probleem was: er staat een fout in de beschrijving! Brrr. In een internet café is, met behulp van de uitbater, contact gelegd via een uitgebreide brief met een tiental adressen in Nederland en dat was voor mij een openbaring. Erg leuk om te doen, het kost alleen veel meer tijd dan je in eerste instantie zou verwachten. Ook kon ik in mijn eigen mailbox kijken en dat leuk. Joke logeerde op deze dag in Haarlem bij Ingeborg. De dames waren in de sauna geweest en hebben buiten heerlijk in Eva’s kostuum in de zon gelegen en ik zat in Salamanca kou te lijden tussen opvallend veel dames die een (nerts)bontjas droegen! Ik telde er zeker vijf. In het algemeen zien de stadse mensen er goed verzorgd uit. In een soort Grand Café heb ik, zittend tussen de dametjes, koffie gedronken, de gehele administratie bijgewerkt en de laatste kaarten geschreven. “s Avonds heb ik in een drukke zaak, een soort kleine Ruteck’s, een bordje paella vooraf en een merluza als hoofdgerecht gegeten. De merluza is een grove vis en smaakt eigenlijk naar niks. De citroen kon hier geen verandering in brengen. Hierna is het donkere kamertje in Hostal Villanueva opgezocht voor een welverdiende rust.
|
I |
k heb deze nacht goed geslapen. Dat kwam mede door de verwarming die weliswaar niet meer aan stond maar toch nog enige warmte afgaf. Om kwart voor zeven was het reveille. Zittend op bed aan het kleine tafeltje trachtte ik wat te ontbijten maar om de één of andere reden was ik nerveus en lukte dat nauwelijks. Het boek geeft geen overnachtingsadres op en dat geeft geen vertrouwen in de toekomst. Om halfacht vertrok ik nadat de sleutel aan het kromme vrouwtje was afgegeven. Eerst liep ik alleen in het overhemd, dat werd later aangevuld met het windjack en pet, beiden tegen de koude wind. Buiten Salamanca is in een bar een kop koffie gedronken. Trek in een ontbijt is er nog steeds niet. De zoete Spaanse cakes staan me niet aan. Na 11 kilometer werd Castellanos de Villiquera bereikt. In “Bar La Plaza” zijn twee grote bierglazen met hete thee gedronken en de barman bakte een paar tostados van Bimbo brood. Dat was lekker en daar wordt je warm van. Aan de bar stonden een zestal arbeiders uitgebreid koffie te drinken en cognac te drinken. Ze hadden veel belangstelling voor die baardmans maar communiceren lukte alleen met handen en voeten. Op de bar stond een grote schaal met gefrituurde varkenssnuitjes die door verschillende mannen alle eer aangedaan werd. Ik had even geen trek. Na een half uurtje, het was inmiddels half elf, werd afgerekend en kon het restant van 24 kilometer worden gelopen die voor deze dag was gepland. De weg voert door een gebied met heuvels die niet erg hoog zijn en de route is steeds in de buurt van de N630. Meestal worden aarden wegen aanbevolen. In het volgende dorp heb ik een nog warm stokbrood gekocht. Mijn bril besloeg ervan. Voor de kerk heb ik een flink stuk zitten eten met kaas dat ik de vorige dag in Salamanca had gekocht bij een onaardige opgedirkte tante. Tevens heb ik het onaangeroerde brood van de taart weggegooid want ik had nu lekker vers brood. Rond 13.00 uur stopte ik in de berm van de N630 voor een picknick. In de luwte van een aantal struiken was het goed toeven. Nat overhemd uit, schoenen en kousen uit. Lekker brood. Ik knapte een mini uiltje van een minuut of vijf. Zo had ik het iedere dag graag gezien. Een onwaarschijnlijk groot aantal motorfietsen kwam mij deze dag over de N630 tegemoet. Bezadigde rijders die zo’n 150 km/h reden. Er waren motoren bij die minstens 250 km/h reden en dat was toch wel griezelig. Soms waren er zwermen van zo'n 20 rijders bij elkaar. De voorste motoren zagen mij goed en duidelijk lopen aan de rand van het asfalt. De mannen in de achterhoede niet en diverse keren kon je zien dat ze van mij schrokken. Later bleek dat op zaterdag de Grand Prix van Sevilla zou worden gereden. Vandaar.
Onderweg heb ik nog wat met een herder gesproken maar ook dat ging niet gemakkelijk. Overigens hebben de herders vrijwel altijd een paraplu bij zich. Rond halfvier bereikte ik het dorp El Cubo de Terra del Vino. Ik was benieuwd. Een kilometer voor het dorp is toilet gemaakt en werd de rug gerecht. Met opgeheven hoofd stapte ik op een drietal oude vrouwen af die voor mij liepen. Het antwoord op mijn vraag kwam niet over. Ze verwezen mij naar de bar die geheel afgeladen was. Het meiske achter de bar begreep niets van mijn in keurig Spaans gestelde vragen en zij verwees mij voor een kamer naar Salamanca. Daar kwam ik net vandaan. Wat een tut. Buiten werd mij nogmaals iets duidelijk gemaakt. Iets met ene signora Carmen. De eerder genoemde oude vrouwtjes keken het aan, stonden alle drie met hun stok te wenken en wezen mij op een oudere en een jongere man die op afstand het schouwspel stonden aan te zien. Die man zou beslist weten waar Carmen woont. Het bleken de echtgenoot en hun zoon te zijn. Is zoiets nu toeval of is dit nu voorbestemd? Ik hou het op het eerste maar toch. In een straatje stond het huis. Moeder was niet thuis maar de kamer op de eerste verdieping zou Pts1.200 moeten kosten. Discussie werd dus niet gevoerd. Ik vroeg waar ik kon eten. Kan hier ook. Perfect. Geheel gerustgesteld werd de badkamer bezocht. Heeft U een handdoek voor mij? U kunt deze toch gebruiken (nat, gebruikt exemplaar) Ik gaf de voorkeur aan een droog exemplaar dus werd door deze autochtoon de linnenkast van zijn vrouw geopend en kwam er een groot badlaken uit. Zo, dat was beter.
Na het douchen en het wassen werd het gemeentehuis opgezocht voor een stempel. De kantoren waren gesloten maar de deur stond open want de werkster was bezig met soppen en moppen. Haar werd uitgelegd wat de bedoeling was. (Eigenlijk is het raar dat sommige mensen alles lijken te begrijpen en zo’n tut achter de bar weet van niks en ze was niet eens blond). Geen probleem. De werkster stapte een kantoor binnen en op een bureau stond een rekje met veel stempels. We hebben samen een mooi exemplaar uitgezocht en het was zo gepiept. Ik was gelukkig met mijn afdruk, de vrouw was gelukkig omdat ze een goede daad verrichte door een pelgrim te verlossen van zijn probleem. Tegenover het gemeentehuis was alweer een bar. Ook dit onbetekenende vliegenpoepje op de landkaart had minstens vier lokaliteiten waar ruimhartig alcoholische versnaperingen worden verstrekt. Een biertje is genoten en daarbij een zakje chips. Terug bij het huis begon het aardig te betrekken. De was, die buiten hing, is verzameld en nabij de brandende open haard gehangen terwijl het stierenvechten werd bekeken. Tijdens het dutje vòòr het eten werd het zeer rumoerig van heen en weer lopende en pratende mensen. Een viertal bikers was binnengekomen en die hadden de andere vier slaapplaatsen in bezit genomen. Inmiddels was het voor de verandering gaan regenen. De altijd aanstaande TV meldt voor de komende zaterdag, zondag en de vrije maandag (1mei) veel regen, donder en bliksem. Daar word je niet vrolijk van. De bikers gaan rond acht uur nog even naar het dorp voor een drankje
Signora Carmen
Het huis van Carmen bezit op de eerste verdieping een aantal slaapkamers. Kennelijk zijn de kinderen uit huis en is er nu plek. Het huis is stukje bij beetje gebouwd. Ik telde in de gauwigheid drie aanrechten en kookplaatsen. Het was koud dus de heer des huizes bevond zich in een soort woonbijkeuken van zo’n 5 x 7 meter. Daar brandde de openhaard, stonden een aantal banken en stoelen en één ronde tafel. De tweede tafel was in feite een blad op twee schragen. De bewoner zat ook hier met het tafelkleed over zijn knieën. Ik keek daar vreemd van op want je weet niet wat dat is. Onder tafel stond een ijzeren pot met er over heen grof gaas. In de pot gloeide kooltjes uit de open haard. De warmte bleef heerlijk onder tafel hangen. Ik nam dus plaats naast de man, bood hem een Hollands sigaartje aan en keek mee naar de TV die op sport (dus voetbal) stond. Heerlijk: rechts de gloed van de open haard, van onderen de gloed van de kooltjes. Op enig moment komt een kind van drie jaar in een elektrische auto binnen en raust door de ruimte, andere jongens komen binnen en gaan weer, een jonge vrouw komt. Kortom een druk en afwisselend theater. Aan mij wordt gevraagd hoe laat hij wil eten. Negen uur? Dat is goed. Diverse personen worden in verschillende richtingen gestuurd voor het halen van boodschappen want Carmen werkt kennelijk alleen maar met verse producten of had ze gewoon niets in huis? Weer een andere vrouw begint met het gereedmaken van het eten. Inmiddels is signora Carmen aan mij verschenen: een wat onverzorgde dikke dame met steil kort geknipt haar met een paar tanden in de lommerd en met enigszins versleten kleren. Ze is erg aardig en stuurt iedereen aan. Rond acht uur wordt de tafel gedekt voor acht man en wordt het brood alvast op tafel gezet. Ik zit nog steeds op de bank naast de open haard en hebt inmiddels het fleece shirt uitgetrokken vanwege de hitte. Tegen negenen wordt het eten opgediend voor één persoon, voor mij dus. Eén van de keukenprinsessen vertrekt. Het menu van het huis betrof: Sopa de Mariscos, lomo met zeer vette patat, een tweede rondje lomo, zelfgemaakte mousse en wijn van het huis uit de Coca-Colafles. Tegen halftien, halverwege de maaltijd, vallen de bikers binnen en zij schuiven aan. Hier krijgt ik mijn tweede rondje lomo. Als alle gasten verzadigd zijn worden de attributen die niet gebruikt zijn en bij elkaar gelegd zodat het gezin zich tegoed kan doen aan datgene dat door de gasten is overgelaten. Het brood is inmiddels geheel van alle vocht ontdaan en alleen nog geschikt om er paneermeel van te maken
|
Na de maaltijd gaan de bikers naar een bar. Ik ga telefoneren en volg de mannen. Deze komen uit Baskenland en één van hen spreekt Engels. In de kroeg neem ik een koffie. De mannen zitten aan het bier. Na ruim een kwartier wordt er één onrustig en die wil gaan hoppen, naar de volgende bar. Ik dus niet. Tussen de buien door ga ik naar huis. Thuis gekomen blijkt dat iemand kamer inspectie heeft gehouden.. Een deel van de spullen op het niet gebruikte bed lagen op het gebruikte bed….
Zaterdag 29 april, El Cubo de Tierra del Vino - Zamora, 33 km
|
O |
p tijd ben ik wakker. Zachtjes, om de bikers die op de overloop liggen te slapen niet te storen, pak ik de spullen in en ga naar beneden. Carmen is al druk in de weer met onder andere de open haard. Buiten regent het. Niet hard maar toch. Als ontbijt krijg ik tostados, gebakken in de koekenpan met olie en zeer sterke koffie met een kan warme melk. Met de laatste slok uit het kopje heb ik mijn mond vol met gruis. Na een kwartier gewacht te hebben op beter weer heb ik om 08.00 uur toch maar de rugzak omgehangen waarbij Carmen helpt om de poncho goed om de rugzak te krijgen. Na het afscheid en de dank voor de goede zorgen stap ik de kou in. Het regent niet hard maar de wind is hard en het is guur. Het gebied is heuvelachtig en de wegen zijn lang. In de loop van de ochtend komen de bikers voorbij die een groet roepen. Alleen blijf ik verder lopen. De eenzaamheid eist zijn tol. De kou zit in de botten. Is dit het nu? Hoe kom ik thuis? Morgen is het zondag en wordt het nog slechter weer. Maandag wordt het ook slecht en dan is iedereen vrij vanwege de 1-ste mei. Ik had voor de komende vier dagen 140 kilometer gepland om te lopen om zo snel mogelijk in Astorga te komen. Was ik daar maar vast want in de refugio van Astorga is een Nederlandse lekenbroeder beheerder en die kan wellicht wat voor mij betekenen en daar zijn tenminste mensen. Bovendien zal ik nog iets van een deken of een slaapzak moeten kopen in Astorga omdat ik mijn eigen slaapzak heb opgestuurd naar Puttershoek. In een dorpje liep ik de bakkerswagen tegen het lijf. Geluk! In een (lege) bar is thee gedronken om de kou te verdrijven en is een stokbrood kaas gegeten. De eigenares had een boekje met namen van pelgrims die voorbij trokken en daarin is geschreven. Een sticker van het Genootschap is aan de muur achter de bar geplakt. Het weer is wisselvallig. Soms is het de wind. Soms kan ik de jas uitdoen. Heel onrustig. De poncho wordt als windscherm gebruikt en op een droog moment is er een waterig zonnetje, wordt de situatie overdacht en de beslissing is om 13.00 uur genomen. Ik ga met het openbaar vervoer naar Astorga en vandaar naar huis. Thuis is nog genoeg te doen. De tuinman heeft het laten afweten, Fréderique gaat deze week het huis verlaten, op korte termijn zit er geen weersverbetering in en hier is het niks. De laatste vijf kilometer zijn glibberend door het slijk en langs ongecontroleerde vuilstortplaatsen gelopen. In de verte lonkt Zamora. Daar aan de rand aangekomen was een bar. Op mijn vraag waar ik het station kan vinden barstte de aanwezigen uit in een Homerisch gelach. Aan de andere kant van de stad. Shit. Dan eerst maar naar het centrum. Een vrouw verwees mij naar de randweg rond Zamora, een man die Engels sprak wees me de weg dwars door het oude centrum. Onderweg naar de Plaza Mayor, uiteraard op het hoogste punt van deze op veel heuvels gebouwde stad, kom ik twee pelgrims tegen waarvan ik het bestaan al vernomen had: twee oude mannen van ver in de zestig? Een Zwitser en een Spanjaard met een grote herdershond. Beiden waren flink stoffig en beduimeld. De Zwitser droeg een lange baard en een alpinopet, de Spanjaard was diep bruin van kleur met vuur in de ogen. Ze waren beiden in Sevilla solo begonnen maar liepen nu alweer geruime tijd samen op naar Santiago. Een klein kwartiertje heb ik met de Zwitser staan praten en toen ging het verder naar de Plaza Mayor. Op het politiebureau wordt nog zeer voorkomend een laatste stempel gezet op de Credential en de weg naar het station wordt uitgelegd. Daar aangekomen ben ik zeer goed geholpen door de man van de informatie. Verder was er niemand dus hij had alle tijd. Omdat ik naar Astorga wilde was het moeilijk. Deze stad heeft, net als Zamora, alleen regionale betekenis. Valladolid daarentegen is het noordelijke verkeersknooppunt. Na veel vijven en zessen was het voor elkaar: met de bus van 17.30 uur van de concurrent naar Valladolid, daar met de nachttrein van 01.40 uur naar Hendaye (Irun), aankomst 08.00 uur. Daar op de TGV van 10.49 uur naar Parijs waar ik om 16.30 uur zou aankomen en dan moest ik het verder ter plaatse regelen. De kaartjes tot Parijs kon ik hier in Zamora kopen. Dat is belangrijk omdat alle plaatsen van deze treinen gereserveerd zijn. De man blijkt ook naar Santiago gelopen de hebben via de Camino Portuges. Het moet een prachtige route zijn die goed is gemarkeerd. Ik heb hem een sticker van het Genootschap gegeven als dank voor zijn moeite. Als echte pelgrims namen we van elkaar afscheid. Het busstation was 500 meter verwijderd van het spoorwegstation. Daar aangekomen kan men kiezen uit veel loketten voor de verschillende ondernemingen die allen naar verschillende bestemmingen gaan. Het bleek dat het loket voor Valladolid nog niet open was. Later bleek dat de chauffeur zelf de kaartjes verkoopt (Pts830) boven bij het loket en dat de bussen beneden staan. De bagage ging onderin en precies op tijd vertrok de bus met vrij veel mensen en dito bagage aan boord. Na anderhalf uur was daar Valladolid. Ineen uithoek op het perron zijn de loopkleren verwisseld voor avondkleding die daarenboven ook nog droog was. De rugzak werd ondergebracht in de Consigna Automatica en vervolgens is Joke gebeld met de mededeling dat ik onderweg naar huis was. Verbazing alom maar ook wel begrip. Tegen negenen ben ik in de regen de stad ingelopen op zoek naar een restaurant. In de eerste was een trouwerij receptie aan de gang, in de tweede belandde ik tussen circa 100 bridgende oudere dames. In een glossy tent bestelde ik van de kaart de plato combinado van Pts1.250, inclusief wijn, brood en postre. Het werd een bord vol met van alles wat en een fles heerlijke wijn. Koffie toe. De ober wilde de schotel + wijn + koffie ieder apart berekenen. Dat ging dus niet door. Hij begreep het zelf ook niet en rekende toen maar Pts 1.000 af. Verdere discussie ben ik uit de weg gegaan. Terug op het station heb ik tot over elven met verschillende reisgenoten zittend aan de bar naar een voetbalwedstrijd op de TV zitten bekijken. Toen ging tegen twaalven het licht uit en moesten we het verder in de wachtkamer maar uitzoeken. Een poosje heb ik op het perron gezeten en zelfs nog een dutje gedaan maar toen werd het bitter koud en heb ik mij vervoegd bij de andere reizigers voor de nachttrein. De trein had 10 minuten vertraging en op mijn stoel zat natuurlijk een dikke Spanjaard. In de eerste klas stoel heb ik zo goed en zo kwaad het ging met oorproppen en slaapmasker wat zitten keveren. Het was warm in de trein.
Zondag 30 april, Valladolid – Puttershoek, weer thuis
O |
ndanks de voorzorgen heb ik maar matig geslapen. Nadat Irun was gepasseerd begaf ik mij naar de ingangsdeur van de trein. Toen we Hendaye binnen kwamen was ik er als eerste uit en stond ik als eerste voor het loket om een kaartje Parijs - Rotterdam te kopen. Dat kostte al met al een kleine 10 minuten doordat er van alles bekeken moest worden, gereserveerd moest worden en met de Visakaart betaald moest worden. De rij achter mij was gegroeid tot wel 30 mensen. Nu wist ik dat ik om 22.09 uur in Rotterdam zou gaan arriveren. Dit is medegedeeld aan het thuisfront. In de wachtkamer is een tafel in bezit genomen om de tijd tot vertrek comfortabel te kunnen overbruggen. Een toilet is bezocht dat keurig schoon was en achteraf uitsluitend bestemd bleek te zijn voor het personeel. Het uitgebreide ontbijt met croissantje en sju en koffie smaakte goed. Een tweetal Duitsers die ook op de TGV naar Parijs wachtten hadden een stuk van de Camino Francés gelopen van Saint Jean Pied de Port naar Burgos. Zij doen het in drie etappes. Het was zeer druk langs de Camino vertelden ze. Tot wel zestig personen meldden zich dagelijks bij de refugio’s. Wellicht had dit iets met de Semana Santa te maken maar het zijn er toch wel erg veel.
De reis naar Nederland verliep verder zoals dat kan gaan. Aan de andere kant van het gangpad zat een vrouw met een aantal kinderen die behoorde tot een groep van wel 10 mensen die verspreid in deze coupé zaten. Het werd een komen en gaan van deze Portugezen. De metro was een “Piece of Cake” en de Thallys had een kwartiertje vertraging. In Rotterdam stonden Joke, Fréderique en Jaap mij op te wachten. Moe, maar voldaan en zonder gevoelens van teleurstelling kwam ik zo weer thuis.
Joop’sVía de la Plata
Etappe 2 in 2001
Samenvatting:
Op 23 april 2001 ben ik met goede moed vertrokken alhoewel de thuissituatie verre van ideaal was en ik mij van te voren bij herhaling heb afgevraagd of ik het wel kon maken om weg te gaan. Het reizen naar en het lopen in Spanje verliepen naar wens. Fysiek waren er geen belemmeringen. De afstand tussen de overnachtingsplaatsen waren, zoals bekend fors, de tocht was zwaar maar zeker te doen. De meegenomen documentatie beschreef redelijk de aangetroffen situatie. Ik heb -incidenteel- leuke ontmoetingen gehad maar verder was het weer heel erg eenzaam. Het weer in Spanje was in april en mei langdurig hevig van slag af. Op 1 mei werd er voor een paar dagen in de hoek waar ik mij ophield sneeuw voorspeld. Dat moet in de bergen zijn, dacht ik toen nog. Niets was minder waar. Toen ik op 2 mei rond half 7 in "La Gudiña" naar buiten keek sneeuwde het en het zicht was 10 meter. Tenminste één dag nog maar wellicht nog twee dagen werd er sneeuw verwacht in deze streek die op 1100 meter hoogte ligt. Twee à drie dagen oponthoud in "the middle of nowhere" is niet aantrekkelijk. Alternatief was ca 96 km langs de "oude" N525 lopen over vooral asfalt naar Ourense. Per openbaar vervoer naar bijvoorbeeld Ourense was geen alternatief omdat ik gekomen was om te lopen. Het viel mij niet zwaar om te besluiten om voor de tweede keer te stoppen. Ik heb nu 805 kilometer van de 1000 km afgelegd van de Camino de la Plata. Er resten nog slechts 195 km.......
|
D |
e hele nacht heb ik liggen spoken met het vreemde idee in mijn hoofd dat de wekker niet op tijd zou aflopen. De wekkerradio had het recentelijk na 20 jaar laten afweten en nu stond er de reiswekker van Joke naast mijn hoofd, op zich een prima apparaat maar ik had er kennelijk geen vertrouwen in. Joke maakte het nog bonter door helemaal maar niet te slapen. Een paar keer heeft ze me gepord wegens vermeende snorkgeluiden. (Zelf heb ik die niet vernomen). Het was me het nachtje wel. Rond 04.15 uur zijn we dan maar opgestaan en zijn er nog een paar zaken geregeld. Twee bruine boterhammen zijn zwijgend genuttigd en ruim op tijd ging het richting Zestienhoven ofwel “Rotterdam Airport”. De lege weg ernaar toe legden we zwijgend af en uitvoeriger dan gebruikelijk namen we afscheid van elkaar. In de donkere nacht reed Joke weer naar huis en ik liep het stationsgebouw van de luchthaven binnen waar een flinke verbouwing plaatsvond. Allereerst werd mijn weg geblokkeerd door een beveiligingsbeambte die, in verband met de MKZ-crisis, vriendelijk doch beslist vroeg naar de voedingsmiddelen die zich in mijn rugzak bevonden. Ik had alleen droge Sultana’s bij wijze van noodvoorraad bij me en dat was voor Bromsnor geen probleem. Bij de desk van Transavia werd de rugzak afgegeven. Deze woog 12 kg. Het is slechts gepermitteerd om 5kg mee in het vliegtuig te nemen dus hoefde ik er niet eens om te vragen of ik mijn rugzak als handbagage mocht meenemen. Na deze hindernis is er eerst een teil koffie gekocht en nadat deze na een kwartiertje voor de helft leeg was (het was een thermo-beker) liep ik door de douane waar het metaalpoortje hinderlijk bleef piepen, ondanks het feit dat door mij nagenoeg alles met een spoortje metaal in het mandje was gelegd. Een grondige lijfelijke visitatie volgde.
In de vertrekhal was het een drukte van belang. Yuppen in snelle pakken en dito koffers lazen de financiële dagbladen, een paar koppeltjes maakten zich gereed voor een dagje shoppen in Barcelona en voor de rest waren het armoedzaaiers zoals ikzelf die, voor dag en dauw, dankzij een “Budget-Air arrangement” het zich konden permitteren om met Transavia voor f 225.- enkele reis naar Barcelona te vliegen. Rond 06.20 uur konden de nummers 1 t/m 50 zich melden om aan boord te gaan. Het was wel zelf lopen naar het vliegtuig. Keurig op tijd vertrokken we rond 06.45 uur. Ik had een raamplaats en ik had een prachtig zicht op Hillegersberg, de plaats waar ik in 1946 ter wereld ben gekomen. Veel was herkenbaar. Rotterdam volgde uiteraard binnen enkele minuten. Prachtig. Puttershoek in de Hoekschewaard kon ik niet zien omdat ik hiervoor aan de verkeerde kant van het vliegtuig zat. De reis verliep voorspoedig. Geen gratis eten, geen gratis drinken. Wel kon men die zaken kopen en zo ook belastingvrije spullen. Er werd eigenlijk maar weinig gebruik van gemaakt. Rond halfnegen was ik in Barcelona en rond negen uur stond ik bij de bagageband met de rugzak. Deze heb ik bij een depot in een kluis ondergebracht voor Pts 525. Voor de aankomsthal stonden enorme rijen taxi’s maar er waren ook bushaltes met o.a een bus naar het centrum. De A1- Airebus of zoiets dergelijks. Het was winderig en warm-klam weer. Iets te warm voor een goed geklede wandelaar. In de stad was het gigantisch druk zo rond halftien. Dit moet de ochtendspits zijn, dacht ik. In de bus bevonden zich diverse Nederlanders. Een jongen ging bij zijn vriendin, die in Barcelona stage loopt in een theater, op bezoek en een jong Nederlands koppel hield er een korte vakantie. Zij werkt op een reisbureau. Later heeft ze mij de Ramblas gewezen. Bij het eindpunt, de Plaza de Catalunya, stapte iedereen uit. Een drukte, een drukte, niet te geloven. Het bleek de dag van het boek te zijn. Op deze dag geeft de vrouw een man een boek en de vrouw krijgt van de man een roos. Honderden rozenverkopers, mooie rozen, grote rozen maar ook schreuf en honderden boekenstalletjes en tienduizenden uitgelaten mensen die door elkaar krioelden. Ik liep over de Ramblas (de Barcelonezen schrijven overigens op de straatnaamborden “Rambla”), door de menigte heen bergafwaarts richting haven. Er waren veel TV camera’s en er werden veel interviews afgenomen. Ik denk dat de “School voor de Journalistiek” er voor hun studenten een praktijkdag in het veld van maakte. Tijdens het lopen werd ik regelmatig geconfronteerd met een snerpende droge hoest. Dat klonk niet best. Na ruim een kilometer schuifelen (of waren het er twee?) kwam ik bij de haven. De riolen stonken zoals ze dat alleen maar in Mediterrane steden kunnen doen. Ik heb nog een stukje gelopen en vervolgens heb ik in een bar een kopje koffie met een zoet broodje gegeten. Het T-shirt dat ik onder mijn rode “loopoverhemd” aanhad heb ik op de WC uitgetrokken en in de zak van mijn windjack gestopt. Het jack heb ik uiteraard in het geheel niet aangehad maar heb ik steeds in de hand gedragen. Terug over de Rambla. Het was inmiddels buitengewoon druk en na een aantal pogingen bij verschillende telefoons kwam ik tot de conclusie dat Joke niet thuis was. Ik zat nog ruim in de tijd dus heb ik bij “El Corte Ingles” een aantal roltrappen genomen in de richting tot de 9-de etage waar het restaurant zich zou bevinden. Na de 5-de verdieping was ik het zat en nam ik verder de lift. Deze (achteraf verkeerde) lift ging echter niet verder dan de 7-de verdieping en ik had er flink de P in. Dan maar naar het vliegveld. Terug bij de mij bekende A1 abri stonden een aantal mensen op de bus te wachten te midden van een volledige verkeerscongestie. Op de lichtkrant stond inmiddels een temperatuur van 25oC aangegeven. Ik had nog twee uur om mij te melden op het vliegveld dus was er geen probleem. Het wachten duurde lang want in het verkeer zat geen beweging. De hoeveelheid mensen die naar het vliegveld wilden groeide gestaag aan tot enkele tientallen. Daar was de bus. Hij stond echter stil in het verkeer aan de andere kant van de Plaza. Nadat hij aangekomen was ging na ca 10 instappers de deur dicht en hij vertrok. Gemopper alom. De volgende bus was er na een kwartier. Deze werd wegens een technisch mankement buitendienst gesteld en vertrok leeg…. Inmiddels stonden er een kleine honderd mensen bij de bushalte. Gemopper alom. Taxi’s waren er zat maar die waren alle bezet. Twee Nederlandse jonge vrouwen probeerden een taxi te regelen. Joop sloot zich bij hen aan maar daar was de derde bus in successie. Ik ging terug naar de bus en met de truckendoos maximaal geopend stapte ik nog juist vòòr een slecht ter been zijnd oud vrouwtje de bus in. Zo, ik zat in de bus en er moest een grote vent aan te pas komen om mij eruit te krijgen.
De weg naar het vliegveld, de lezer zal het kunnen begrijpen, was een lange weg. Vlak bij het vliegveld zag ik een taxi rijden met daarin de twee Nederlandse dames. We zwaaiden naar elkaar. Op een parkeerterrein bij het vliegveld stonden zeker 200!! lege taxi’s in lange rijen te wachten voordat ze mochten oprijden naar de standplaats voor de aankomsthal.
Op het vliegveld is eerst de rugzak weer opgehaald (uiteraard aan de andere kant van de enorme vertrekhal) en ging ik in de rij staan voor een binnenlandse vlucht naar Zamora. Het duurde lang maar uiteindelijk was ik aan de beurt. De rugzak was ingepakt in een dikke, doorzichtige plastic zak en die zou er afmoeten volgens de meneer achter de balie. Daar had ik dus geen zin in want die is er voor dat de rugzak niet vuil wordt, beschadigd wordt of ontvreemd wordt. Uiteindelijk deelde hij mijn mening en ging ik weer door een rinkelend poortje. De controleur wist al snel de bron van het gerinkel te lokaliseren: het bleken de haken van mijn hoge Meindl loopschoenen te zijn die voor het lawaai verantwoordelijk waren. Tismaardatjeutweet. (Recentelijk in Barcelona waren het de stalen neuzen van mijn veiligheidsschoenen die voor het misbaar zorgden). In een bar heb ik voor de schrik een broodje genomen met een biertje. Het wachten duurde niet lang en rond 15.00 uur stapte ik de bus in die mij naar de F50, een Fokker Friendship bracht. Een turbopropeller vliegtuig van Nederlandse makelij. Dat moest goed gaan! Er kunnen ruim 50 personen in de machine die 2 x 2 rijen stoelen heeft. Onderweg kregen we een broodje ham of broodje kaas met een glas jus. Het vliegen verliep onrustig. De gordels bleven om. Regelmatig kregen we klappen. Ik mopperde en mijn buurman ook. Hij bleek bij de vliegerij gewerkt te hebben maar hij zou nooit aan dat gerommel in de lucht wennen vertrouwde hij mij toe. Hij woonde in Spanje, zijn grootmoeder was afkomstig uit Den Haag, hij was getrouwd met een Duitse vrouw en hij had langdurig in de Kongo gewerkt. Hij vroeg zich in alle gemoede af wat iemand als ik in het door de Schepper vergeten oord van Valladolid te zoeken had. Nadat ik het hem had uitgelegd begreep hij er nog minder van. Ik vroeg hem hoe ik in Zamora, het reisdoel van deze dag, zou kunnen komen. Hij bood mij aan mij met zijn taxi mee te laten rijden naar het busstation van Vallodolid, daar kon ik dan de bus nemen naar Zamora. Zo gezegd, zo gedaan. Na een krap half uurtje stond ik rond 18.00 uur op het Estación de Autobús. De verbinding werd opgezocht. Hier in Valladolid vierde men weer een soort nationale feestdag waarin Karel V een belangrijke rol schijnt te spelen en wat mede de oorzaak was van veel mensen op straat en het rijden van de bus volgens het schema van zon- en feestdagen. Gelukkig ging de laatste bus pas om 20.00 uur en was er nog tijd voor een versnapering in het altijd aanwezige cafetaria.
Om 20.00 uur vertrok de geheel volle bus (staanplaatsen worden er niet verkocht) in één ruk naar Zamora. In de bus zat ik naast een jonge vrouw en met handen en voeten hebben we wat gecommuniceerd. Zij studeerde aan de Universiteit van Valladolid en nu ging ze vanwege het feest?? naar huis in Zamora. Nadat we aangekomen zijn heeft ze mij nog ca 1 kilometer vergezeld naar Hostal-Residencia Alfonso IX in de Avenida Alfonso IX waar ik een bed vond op de tweede verdieping van een flatgebouw waarin kantoren, een hostal en woningen waren ondergebracht. Lange tijd was ik ogenschijnlijk de enige gast. Aan de uitbater vroeg ik een goed eetadres en dat was voor hem het signaal om zijn jas aan te trekken en mij te chaperonneren naar een goed eetadres waar hijzelf voor eigen rekening iets vloeibaars tot zich nam. Ik at daar cocktail de gamba’s, een entrecote en een flan, vergezeld van wijn en brood voor Pts 2.150. Dat was niet verkeerd. De gastheer aan de tafel naast mij gaf de ober na afloop voor zijn diensten PTS 50.- fooi! Dat is vijfenzestig cent. Ik zag het met verbazing aan. Om 23.30 uur zocht ik mijn mandje op.
|
N |
a een droomloze nacht werd ik vroeg onder de ochtend wakker voor een kleine PV. Lekker terug naar bed waarin ik vijf voor half acht wakker werd. Ik gunde mij zelf 5 minuten extra omdat dit de eerste dag was. Ik voelde me goed en was zeer relaxed. Het lied “Rotterdam” van Fréderique Spicht juichte door mijn hoofd en dat zou de hele dag zo blijven. Wassen, aankleden en de rugzak inpakken. Ik had mij voorgenomen om zorgvuldig om te gaan met de rugzak. Vorig jaar betrapte ik mij op vergaande nonchalance en dat kan uiteindelijk funest zijn en dus probeerde ik dat dit jaar gelijk al te voorkomen. Gepakt en gezakt ging ik om half negen naar buiten. De man van het Hostal (wilt U bij vertrek de sleutels in de brievenbus stoppen, ik ben morgenochtend al weg??!!) had mij al aangegeven waar de Iglesia del Santiago del Burgo zou staan. Deze was dicht en hij zou pas om 10.00 uur worden geopend voor de eerste mis. Hier wilde ik niet op wachten.Vervolgens ben ik naar het politiebureau gelopen waar ik in 2000 mijn laatste stempel op het Credential heb ontvangen. Naast de stempel uit 2000 prijkt nu het stempel van 2001. Wonderlijk genoeg had ik daar toch wel even moeite mee. In het bureau was er niets veranderd. Buiten gekomen ben ik op weg gegaan naar de kathedraal van Zamora. Die ligt aan de zuidkant van de stad terwijl ik in de noordkant had gelogeerd en ook weer via de noordkant Zamora diende te verlaten. Nadat ik 10 minuten gelopen had en de kathedraal nog niet in zicht had ben ik op mijn schreden teruggekeerd en begon ik in noordelijke richting te lopen. Er waren geen “leuke” barretjes. Ergens heb ik de dame achter de bar geleerd hoe ze een kopje café Americano diende te bereiden en heb ik als ontbijt zo’n vreselijke “Madelena”gegeten. Onderweg heb ik nog wat brood, kaas en noten gekocht en zo ging ik na half 10 op weg naar Santiago. De kerk was nog dicht, andere kerken ook. Vooruit dan maar.
De eerste “flecha amarilla”, de gele pijlen die door vrijwilligers met een verfkwast los uit de hand zijn aangebracht op plaatsen waarvan je hoopt dat ze daar staan, heb ik op de foto gezet. Het was koud, slechts 10 graden en het waaide flink. Het is alsof ik sinds 2000 niet ben weggeweest. Ik liep met mijn jas aan en die is deze dag niet meer uitgeweest. Na 6½ km bereikte ik Roales de Pan en daar is een barretje. Het bekende ritueel start weer: rugzak af, vriendelijk groeten, koffie bestellen en een broodje. Ham was er (nog) niet, dan maar lomo. Ik ontving drie flinke stukken uitgebeende karbonade met daarbij een half brood. Lopen maakt hongerig dus had ik er geen moeite mee. Voor het eerst (kennelijk) begon ik de Engelstalige gids zorgvuldig te lezen. Op bladzijde 8 bij een Nota Bena las ik: “ After leaving Zamora there are no cash dispensers until you reach Puebla de Sanabria”. Dat was geen leuk bericht want ik had weliswaar nog aardig wat peseta’s maar om 6 dagen te overbruggen heb je, inclusief “noodfonds” toch wel het één en ander nodig. Om nu terug te gaan om alleen peseta’s te pinnen ging mij wat ver. Dan maar zuinig zijn was het alternatief.
Na de koffie en afrekenen ging het weer verder. De weg was saai en die liep voornamelijk parallel aan de N630. Ik voelde mij met mijn door de wind gebolde broek net een Volendammer. Gele pijlen waren er genoeg, dreigende donkere wolken ook. Boven op een heuvel, achter een stapel stenen heb ik de eerste pauze in de natuur gehouden terwijl het zonnetje ernstige pogingen deed om vrolijk te zijn. De leeuweriken kwinkeleerden om het hardst. Het was goed toeven. Ik dacht veel aan de onmogelijke situatie thuis, aan Joke, aan Fré en aan tante Mieke.
Tijdens het lopen betrapte ik mij erop dat ik dikke handen had. Dat was niet gebruikelijk. Ook had ik een trekkend bovenbeen. Ook dat zal wel van het ongewone komen. Ik lag daarboven zeker een half uurtje te genieten voordat ik verder ging. De leeuweriken volgden mij. Ik hoorde er minstens drie gelijktijdig. Over enen ging het verder. De weg was zeer saai. Geen boom te bekennen. Het dreigde nog steeds te gaan regenen. In de gids staat een hostal vermeld in de nabijheid van een benzinestation. Dat leek mij een goed plan zo voor de eerste dag. Flink bezweet viel ik na tweeën het Hostal El Asturiano binnen waar ik om een kamer vroeg. Deze had hij. Het was een zeer basic kamer, sanitair op de gang voor duizend en nog wat peseta’s. Dat leek mij dus wel wat. Trots wees de barman op het zwembad in de tuin maar daar had ik toen nog geen zin in. Ik mocht mijn wasgoed op de drooglijnen rond het Spaanse zwemparadijs te drogen hangen. In de badkamer werden alle kleren die inmiddels gedragen waren aan een beurt blootgesteld en daarna volgde ik zelf. Douchen moest ik staand in het bad doen. De douchekop was zodanig verkalkt dat het water alle kanten opspoot behalve naar beneden. Het werd dan ook een compleet waterballet maar ja, de was zou schoon en droog zijn.
Toen ik de badkamer verliet hoorde ik een geluid dat ik liever niet zou willen horen: het regende en niet op z’n Hollands maar op zijn Spaans. Dat wil zeggen een onvervalste hoosbui. Daar stond ik dan in Adams kostuum met een stapeltje kleddernat wasgoed in mijn handen. Gelukkig had ik een stuk vliegertouw in de rugzak en een zestal wasknijpers dus binnen de kortste keren hing er een was aan de lijn in de serre te drogen. De ramen werden een beetje opengeschoven en de deuren op een kier gezet zodat het tenminste goed tochtte. In de bar werd vervolgens troost gezocht. Er waren vijf tafels die alle bezet waren met chauffeurs die er van hun lunch genoten cq aan het voedsel bunkeren waren. Voor allen gold: dikke bonensoep, twee forellen met een bordje salade, brood, een toetje in de vorm van flan of koffie en een hele fles wijn de man die door de meesten van de aanwezigen toch fors werden aangesproken. Alle mannen hadden hun neuzen in dezelfde richting staan: in de richting van de prominent aanwezige televisie die op een geluidsniveau van een doveninstituut stond. De twee dames in de keuken hadden het er behoorlijk druk mee. De man achter de bar deed wat de gasten ook deden: de TV alle aandacht geven. Op een hoek van de bar werkte ik het dagboekje bij en ging vervolgens naar boven voor een dutje maar niet nadat de was nog een keer was uitgeknepen en was verhangen. Ik lag amper op bed of de slagregens uit het zuidwesten geselden het dubbele glas van de kamer. Tja, daar wordt je niet vrolijk van.
Rond zes uur was er een flink kabaal op de gang. Waren het kinderen of waren het volwassenen die zo’n herrie maakten? Na een kwartiertje had ik er goed zat van en liep de gang in: de uitbater had een kleine wekkerradio aanstaan op de wasbak van de badkamer en hij was de badkamer “aan het doen”. Toen hij mij zag werd de radio op een aanzienlijk lager niveau gezet. Ik was inmiddels door en door koud. Ik trok mijn fleece jack aan en trok mij stil terug onder de dekens tot half acht. In de bar waren inmiddels twee fietsers aangekomen die van de barman een regionale landkaart ter inzage hadden gekregen. Deze landkaart heb ik vervolgens een half uurtje uitvoerig bestudeerd. Trek in bier had ik niet, dan maar een Colaatje. Dat smaakte ook niet dus is er een flinke scheut Baccardi aan toegevoegd. Dat ging beter. Rond half negen belde Joke. Voor het eerst beschikte ik op een lange trip over een GSM telefoon en dat is toch wel erg comfortabel. Joke meldde dat Theo Dijkstra met een aantal Spanjaarden een alternatieve route is gaan lopen en dat hij inmiddels vier dagen voor mij zit. Onze kinderen hadden een heuse website voor pa geopend en hadden dat gemeld aan de mensen die in het adresboekje van Joop voorkomen. Het was nauwelijks te geloven. Het zijn toch kinderen van deze tijd. Er is nog even met Rik gebeld over de website. Na het telefoontje nam ik het “Menu del dia” dat identiek is aan de middag hap. Ik vroeg de barman “Trutchas sin Cabeza” ofwel de forellen svp zonder hoofd serveren. Hij keek mij aan en hij lachte wat. De bar liep inmiddels vol met voornamelijk vrachtwagenchauffeurs die op het parkeerterrein of in het hostal de nacht zouden doorbrengen. De keuken en de bar werkten na tien uur op volle toeren en buiten hoosde het. Tot half vier sliep ik goed. Daarna heb ik uitsluitend naar het weer buiten liggen luisteren en heb ik m’n was nog maar eens een keer verhangen. Wat moet dit worden?
|
H |
et is vandaag 25 april. Als mijn moeder nog zou leven zou ze vandaag 95 jaar zijn geworden. Het mocht niet zo zijn. Tegen kwart voor acht betrad ik de bar. Por favor un desayuno. Dat kon. Er was koffie, thee en Madelena’s. Brood was er nog niet. De bakker zou rond acht uur komen. Dat leek niet verkeerd. Even na achten verscheen daar de bakster. De waard plaatste zijn bestelling en gaf aan dat ik naar buiten moest voor brood. Het broodje werd voor mij in een pagina van een scheurkalender verpakt. In de bar aangekomen maakte de barman geen aanstalten om verder wat voor mij te doen. Hij had het druk met het ochtendblad en zijn satelliet TV. Ik heb, genietend van een mok thee, flink aan mijn eigen nog warme brood zitten plukken. Zo ging dat ook. Het was wonderlijk mooi weer dus het windjack kon uitblijven. Om kwart over acht startte ik. De wind was toch nog wel fris dus liep ik gedurende langere tijd met de linker hand in de broekzak. Ook deze tweede dag liep ik voor de laatste keer op de instructies van Freddy Du Seuil, de Belg die de Nederlandstalige gids voor de Ruta de la Plata heeft geschreven. Binnen een uurtje kwam ik aan bij de oever van de Embalse de Ricobayo, het stuwmeer van Rocobayo. Het water stond als gevolg van de recentelijk overvloedige regelval behoorlijk hoog dus kon er geen doorsteek worden gemaakt maar moest de oever voor langere tijd worden gevolgd. Aanduidingen waren hier niet en regelmatig moest ik mijn weg zien te vinden door het dichte struikgewas. Het liep niet echt lekker daar. In de verte lagen daar de restanten van Castrotorafe, een verlaten stad. Van oorsprong is de stad gebouwd als Keltische nederzetting. Vervolgens hebben de Romeinen er vanwege de strategische ligging aan de rivier de Esla er een halteplaats aan de Via de la Plata van gemaakt. In de nabijheid van de oude muren is een wat langere rustpauze ingelast. De weg verder was wat lastig te vinden omdat een flink deel van het pad onder water stond maar na wat plussen en minnen werden de gele pijlen weer gevonden. In de buurt van Riego del Camino is de weg op een laag punt gemaakt van beton omdat het links en rechts behoorlijk drassig is. Er was daar veel begroeiing en de vogeltjes floten dat het een lieve lust was. De betonplaat was lekker warm en ook daar heb ik een half uurtje liggen genieten. In Riego is nog een kopje koffie genoten en zo liep ik Granja de Moreruele binnen. Al vlak aan het begin van het dorp liepen aan de overkant van de N630 een drietal dames in ganzenpas de andere kant op. Ik werd in het Spaans aangesproken en het bleken Duits sprekende dames te zijn. Mij werd gevraagd of ik in de refugio wilde slapen. Natuurlijk wilde ik dat en één van de dames gaf mij de sleutel, zelf gingen ze te voet naar een bekend klooster dat op 4 km afstand van dit dorp ligt…. De refugio was een buitengebruik gesteld cultureel centrum waar slechts vier matrassen, twee stoelen en één tafel beschikbaar waren. Vrij snel kwam de oudste dame (Ina, 73 jaar!!) terug. Met haar heb ik een poosje gezellig gepraat. De refugio was zeer koud en het douchen met koud water viel niet mee maar ja, een Hollandse jongen laat zich niet kennen. In een sanitaire ruimte werd door mij één van de matrassen gelegd. Gelukkig vond ik een grote zak met polyether snippers die ik bij wijze van kussen onder de matras heb gelegd. In het dorp was alles dicht vanwege…. een feestdag. Drie van de vier bars waren dicht en nergens werd eten klaargemaakt, nu niet en ook niet in de avond. In de enige open bar werd bij Gods gratie een flesje bier uit de koeling gehaald voor de pelgrim. Nadat ik ieder half uur aan een deur gerammeld had kon ik slechts met moeite nog wat te eten krijgen in een woonkamerwinkel. Het licht was uit in deze ruimte en een tweetal mensen op leeftijd schuifelden wat rond in hun “winkel”. De twee dames die naar het klooster waren wezen lopen kwamen terug en op de enige tafel van de refugio werd op een één pits gasstelletje groenten gekookt. Dit, samen met ham en brood was voor de dames het avondmaal. Het restant was voor Joop die het met smaak oppeuzelde. In de (koele en winderige ) avondzon zaten we op de trappen van het gebouwtje. Een man kwam een praatje maken. Het bleek dat hij indertijd 20 jaar in Zwitserland had gewerkt en hij sprak nog redelijk Duits. Van het één kwam het ander: hij was alleen thuis, zijn vrouw werkte in Valladolid, zijn dochter woonde in enzovoorts. Gekscherend werd gezegd dat hij dus ruimte genoeg had thuis om een paar pelgrims te slapen te leggen. Hij vond dat idee kennelijk maar niets. Uiteindelijk ging hij weg om gelijk weer op zijn schreden terug te keren. Hij vroeg ons om naar zijn huis te komen kijken. Eén van de dames bleef thuis en de Spanjaard toonde aan de genodigden zijn huis dat zeer compleet was en erg mooi. Hij was zeer trots op zijn bodega, een groot gat in de grond (20-30 m lang en 10 meter diep de grond in) waar zijn (zelfgemaakte) wijnvoorraad lag. Juist toen ik diep onder de grond liep belde Joke mij op de GSM. Nadat het gesprek was afgelopen was ook de excursie ten einde. We kregen een fles wijn mee. In de refugio haalde ik mijn fototoestel op en de Credential. Daarna ging het naar de Plaza Mayor waar vanwege de feestdag de processie langs zou komen. Een Spanjaard stak knallend vuurwerk af en daar kwam de processie: Vijf muzikanten voorop, daarna de pastoor, 40 vrouwen 20 kinderen en vijf mannen en 3 pelgrims. Het was best gezellig. Bij de kerk ging de processie uiteen en de pelgrims kregen in de kerk op de valreep nog een stempel. Terug in de refugio werd de fles wijn genuttigd bij het enige peertje dat nog brandde in het pand en vervolgens legden we ons te ruste. Rond half één waren jongelui met een auto aan het slippen op het grind achter de refugio. Ik vreesde voor het glas uit het raam waar ik juist achterlag.
Donderdag 26 april, Granja de Moreruela – Tábara, 24 km
|
O |
m zeven uur stond het gezelschap op. Staand werd er ontbeten. Voor Joop bestond het ontbijt uit Mariakaakjes, walnoten, yoghurt, koud leidingwater en een appel. De dames leverden aan mij warm water en een beetje poederkoffie. Even voor achten liepen we buiten. Hildegard bracht de sleutel weg en daar gingen we gevieren. Ida (73j) is een slowstarter en als je haar zo zag op de vroege morgen dan was het een wonder dat ze een kilometer zou kunnen overbruggen en dan te bedenken dat zij al ruim 650 kilometer achter zich had liggen!
Na een halve kilometer begon Ida te mopperen over de slippers van Hildegard die naar haar zin onvoldoende vast waren gebonden. De colonne stopte, rugzak af, riempje gezocht want het juiste riempje was niet op z’n plaats enzovoorts. Joop dacht: wegwezen en dus zette ik de turbo erop en was ik onderweg. De weg is zeldzaam mooi. Na 7 km was daar de brug over de Rio Esla. De Camino slaat na de brug direct links af over een rotspad. Het was een prachtig stuk. Hier werd dan ook een flink lange stop gehouden. De dames heb ik niet meer gezien onderweg. Bij het hek van de “Finca Val de la Rosa”, een flinke boerderij is de lange rustpauze gehouden. Heerlijk lag ik daar in het gras. Alleen de mieren op mijn blote voeten weerhielden mij ervan dat ik in slaap zou vallen. Tegen twaalven ging het weer verder. De aarden weg over het glooiende landschap was goed te lopen, de aanduidingen waren aanwezig maar zeker niet overdadig. Soms was het land bebouwd. Dan stond er graan op of was er een klein wijngaardje, waarschijnlijk voor eigen gebruik. Het lopen ging goed, de voeten gaven geen problemen en de schoenen voelden goed en het waterverbruik was alleszins redelijk.
In Fatamontanos de Tábara waren de markeringen verwarrend en prompt liep ik een stukje verkeerd. Ik kwam terecht in een kudde schapen en vervolgens in een bosachtige omgeving met uitsluitend steeneiken. In de drassige gebieden stonden onafzienbare hoeveelheden orchideeën maar deze bloeiden nog niet. Uiteindelijk kwam ik, na een flink drassig en modderig stuk, op een asfalt weg. Het was niet te ontdekken welke weg het was, de C141 of de N630. Het was een lokale weg die later uitkwam op de N630. Hier stond naast het benzinestation Hostal Galicia. De waard keek mij glimlachend aan en voor pts 2000 kon ik een kamer met douche en een zeer krap toilet betrekken. De kamer lag aan de noordoost kant, lag in de schaduw en was koel. Ik had beloofd dat ik voor de dames óók een kamer zou reserveren maar na enig tekenwerk begreep ik dat één van de dames wegens ziekte inmiddels per auto was gearriveerd en op bed lag. Een groot deel van de dag had ik uitsluitend in een T-shirt gelopen dus had ik geen vuile was. Daarnaast had ik al een ronde gemaakt rond het gebouw en nergens zou de was opgehangen kunnen worden. In de bar werd een grote pils besteld en buiten op het terras werd een begin gemaakt om de administratie bij te werken. Eigenlijk was het te winderig om aangenaam te zijn dus is het werk binnen voortgezet. Rond half zeven ruimde ik de spullen op en ging ik naar het dorp om boodschappen te doen. Voor de dames zou ik in de kerk een stempel op hun en mijn Credential ophalen. Rond acht uur zou er een man nabij de ingang van de kerk staan te wachten op langskomende pelgrims??? In het gemeentehuis was nog juist één man aanwezig die bezig was de zaak af te sluiten maar hij was zo vriendelijk om mij vier stempels te verstrekken. In een “Autoservicio” zijn diverse zaken ingeslagen en ging ik 1 km terug naar de hostal. Ik vond het welletjes voor vandaag. Van de dames was geen spoor te bekennen. Die bleken achteraf op bed te liggen. Daarna gingen ze naar de mis van 8 uur en misten daar Joop die voor hen een stempel zou regelen. Ida was daar niet blij mee en dat liet ze goed blijken. Het was koud en het bleef koud. Om 21.05 uur vervoegde ik mij in de eetzaal. De dames volgden na vijf minuten en kwamen gezellig bij mij zitten. De keuken hield geen rekening met het samenzijn dus kreeg ik steeds vijf minuten eerder dan de dames het (bestelde) volgende gerecht. Het voorgerecht bestond uit grof gesneden snijbonen met gebakken spekjes. Dat was heerlijk. De wijn was koud want die kwam uit de koeling. De dames zaten met hun windjacks aan tafel en ikzelf had mijn fleece aan. Ida bleef maar mekkeren over het verkeerde stempel. Wijn werd door de dames nauwelijks gedronken dus moest ik zeer mijn best doen om de bodem van de fles te bereiken.
Koffie dronk ik aan de bar met daarbij een copa. De barman stootte de fles aan, liet hem van het rek vallen en ving hem net op. Dat was zijn “eigen show” maar ik schrok mij bijkans een hartverzakking. We hebben er samen hartelijk om gelachen en voor de schik kreeg ik nog een zeer grote copa aangeboden.
Telefonisch contact met huis maakte mij er niet vrolijker op. Er was een hevige discussie losgebarsten over de rechtmatigheid van Fréderique om met haar moeder en haar zus mee te gaan naar Berlijn terwijl ze ziek thuis was wegens een ernstige beschadiging van haar kniebanden. Gaat ze nu wel of gaat ze nu niet?, dat was de vraag. ’s Avonds belde ik voor een tweede keer naar huis.
Vrijdag 27 april, Tábara – Santa Croya de Tera 23 km
|
N |
a half vier sliep ik niet goed meer. Hoe moet het nu verder? Rond zeven uur stapte ik onder de douche en maakte me gereed voor deze dag. Met de barman was afgesproken dat om acht uur de bar geopend zou zijn voor een ontbijt. Niet om acht uur dus. Ida gaf het startsein om te vertrekken en toen ze op 100 meter afstand was ging de deur van de bar open. Het ontbijt bestond uit “tostados”, geroosterd brood met boter en jam en daarbij twee flinke bakken thee. In het dorp bleek toch een CD, een cash dispenser ofwel een flappentap, aanwezig te zijn dus werd er een flink bedrag opgenomen om te voorkomen dat de bodem van de schatkist weer in zicht zou komen. Het eerste stuk van de route ging goed maar binnen een aantal kilometers ging het hevig mis. De Belgische beschrijving bleek niet te kloppen en binnen de kortste keren liep ik geheel verloren te dwalen over paden tussen de wijngaarden door. In de ijver het goede pad weer te vinden kwam ik in een drassig gebied terecht waar ik tot zes keer toe op mijn schreden moest terugkeren. Achteraf had ik gewoon in de buurt van de N630 moeten blijven want samen met deze weg liep de Camino tussen twee heuvels door op 6 km afstand van Tábara. De Duitse dames kozen voor een weg half over de heuvels maar werden daar door een boer gewezen op de aanwezigheid van stieren in dat gebied. Ik besloot een veilige route te kiezen over de asfaltwegen. Uiteindelijk bereikte ik na vijf uur ploeteren Litos dat op 11 km van Tábara ligt….
Over de weg liep ik verder naar Villanueva de las Peras en daar vond ik de Camino weer terug. In een bar dronk ik een glas sinas en kwam in gesprek met een Spanjaard die zeven jaar en zijn vrouw vijf jaar in Hamburg hadden gewerkt. Hij vroeg waar ik zou slapen die nacht. Dat was Camarzana de Tera. Hij vertelde dat dat hostal niets was. Hij had thuis een appartement beschikbaar dus als ik interesse had dan kon ik daar gebruik van maken. Als goede Hollander vroeg ik naar de prijs. Na enige discussie met zijn vrouw over verschillende bedragen werd het afgemaakt op Pts 3.000. Dat is duur vertelde ik deze man maar ik liet hem wel zijn adres noteren maar ik stelde mij neutraal op. Ik zie het wel. De man vertrok en het bleek dat hij mijn consumpties had betaald. Santa Croya de Tera werd laat in de middag bereikt omdat ik onder een boom een poosje had liggen keveren. Het huis van de Spanjaard was het één na laatste huis in Santa Croya de Tera, nog geen kilometer van Santa Marta de Tera, het plaatsje dat ik graag wilde bezoeken in verband met de aanwezigheid van het oudste bekende beeld van de apostel Jacobus. Omdat ik geen zin meer had om verder te gaan belde ik aan. De dochter des huizes wist nergens van maar signora Anita was thuis dus werd ik naar de tweede verdieping uitgenodigd. Binnengekomen zat Domingo aan tafel van zijn woonkamer. Hij was tijdelijk in de ziektewet wegens een ongeluk op zijn werk. Hij liep met twee krukken. We hebben wat heen en weer gepraat en we belandden via het fraaie appartement in de woonkeuken. Er werd mij wijn aangeboden en (vers) brood met twee grote stukken heerlijke kaas en een paar pantoffels!! Ruim een uur zaten we te kletsen, wijndrinkend en brood smullend. Daarna douchte ik en deed ik mijn pelgrims wasje in het gastenverblijf met drie slaapkamers ( 8 bedden), een keuken en een badkamer. De was hing ik op de tweede verdieping op de overloop te drogen in de hete avondzon. Vervolgens werd ik meegetroond naar de kamer van Conchita, de 14-jarige dochter die over een PC met internet aansluiting beschikte dus heb ik daar voor het eerst de website van pelgrim Joop bekeken en heb ik een bericht naar huis gestuurd. Hierna kreeg ik een excursie door het huis. Het linker deel van het dubbel appartement was voor privé gebruik, het rechter deel was kennelijk voor de reeds uit huis wonende kinderen. Op begane grond niveau werd niet gewoond in verband met de mogelijkheid tot overstroming van de rivier de Tera. Op de begane grond was een garage waar zeker 4 auto’s in konden en er was een smeerput uitgespaard in de vloer. De hard houten garagedeur was prachtig gemaakt met door Domingo zelf gesmede spijkers en beslag. Aan de andere kant bevind zich een klusruimte van 6 x 10 meter met in het midden een “diffusiepaneel” uit de suikerfabriek want Domingo bleek te werken als bankwerker-monteur bij de “Azucarera Ebro Agricolas de Benavente”. Een heuse Spaanse collega van mij dus.
De eerste verdieping was nog geheel in ruwbouw en de tweede verdieping was klaar. Al het ijzerwerk aan de buitenkant en een twee verdiepingen hoge wenteltrap had hij zelf gemaakt. Na de excursie ben ik met Domingo over de brug over de Rio Tera gelopen en bezocht ik het kerkje van Santa Marta de Tera. Onderweg stopte bijna iedereen voor een praatje. De mis zou pas tegen negen uur afgelopen zijn en daarna zou ik pas een stempel op de credential kunnen krijgen. Via de bar kwamen we terug bij de woning. Daar stapte ik in de auto om met Anita weer terug te rijden naar de kerk. Na een kwartiertje was de mis over en kreeg ik een stempel en een privé rondleiding in de kerk. Om 21.30 uur vertrokken we met z’n drieën naar de heuvels waar het echtpaar een bodega bezit. Het was een wonderlijke wereld. Aangekomen tussen de ogenschijnlijk bouwvallige bouwsels werd er een deur geopend en een lange draad werd in de sigarenaansteker van de auto gestoken. Een 12V TL-balk ging aan en de ruimte werd zichtbaar: een ruimte van 8 x 8 meter met daarin een open haard, een keukenblok en een lange tafel met 12 zitplaatsen. Aan de muren hing van alles. De haard werd ( rokerig) aangemaakt met druivensnoeihout. Diverse kaarsen werden ontstoken en met Domingo ging ik naar beneden: circa 25 betonnen treden “berginwaarts” naar het binnenste van de aarde waar de wijnvoorraad van de familie lag in een vat van 1.800 liter. Prachtig!! Uiteraard is er uit dit en geen ander vaatje getapt. Bovengekomen met de kostbare lading werd met het smulfeest begonnen. Anita had lamsvlees gekocht en spullen voor een gemengde salade. Het vlees werd boven de gloeiende as geroosterd. Heerlijk was het en het was zeer gezellig. Deze mensen deden er alles aan om het hun gast naar de zin te maken en dat lukte hen goed.
Deze mensen waren iets ouder dan ikzelf. Ze hebben samen vier kinderen, respectievelijk 27-25-23 en 14 jaar. De jongste, het nakomertje, was als enige nog thuis.
|
R |
ond zeven uur werd er op de deur geklopt met de mededeling dat het tijd was om op te staan. Ontbeten is er met oud brood en kaakjes. De Madelena’s liet ik voor wat het was. De gevraagde thee moest van zeer verre komen. Duidelijk was dat thee iets ongewoons is in Spanje. De yoghurt smaakte prima en met moeite kon ik mij losmaken van deze vriendelijke mensen. Zoals afgesproken betaalde ik mijn evenredig aandeel in het feestmaal van de vorige avond. Anita rekende hier pts 1200 voor, de schat. Domingo had op een stukje papier de door mij te volgen weg getekend. Deze liep vooral langs de rivieroever. Hij stond erop om mij een stuk te begeleiden. Zo kwam het dat de eerste 500 meter door ons samen werd gelopen, Domingo met z’n kruk en ik met de rugzak. Nadat we uitvoerig afscheid hebben genomen ging de turbo erop en moest ik gelijk al de keuze maken: wel of niet de gele pijlen volgen die een ander pad aangaven dan Domingo had voorgeschreven. De eerste 3 km ging over de rivierdijk. Daarna werd het puin in dubbel opzicht. Een nauwelijks te ontdekken paadje met hier en daar een gele pijl. Bij de molen nam ik een weg richting rivieroever en die liep na ruim 1 km dood dus had ik een bonus van 2 km te pakken. Het lopen op zich ging goed. In de dorpjes die ik tegenkwam was geen bar of hij was deze dag niet open. Na 13 km arriveerde ik in Olleros de Tera waar een tweetal zeer jonge tieners op de bar pasten. Het wicht barstte in lachen uit, haalde haar oma erbij, het koffie apparaat werd aangezet en een “café americano” werd bereid. De jongen begreep er kennelijk niets van want het extra water op de “café solo” was koud water zodat de hele kop koffie lauw werd geserveerd. Oma was trots dat ze een Hollander op bezoek had want de dahlia folder van Bakker uit Hillegom werd uit de woonkamer gehaald en aan mij getoond. Hierna ging het met flinke pas, voornamelijk langs de N525, op weg naar Mombuey. Het was een lange en warme weg. Onderweg is bij een bakker brood gekocht en bij een kruidenier de rest van de boodschappen. Vanwege de 38 km werd het een tocht van lopen-rusten-lopen-rusten enzovoorts. Ik was inmiddels verkouden en had een vuile keel en vuile holtes. Mijn bovenbeen begon lelijk op te spelen. In Ríonegro del Puente is in een bar een tweetal “Fantas Naranjas” gedronken en de uitbaatster was zo vriendelijk om een telefoontje te plegen naar mijn volgende overnachtingadres op 9 km afstand. Het telefoonnummer in mijn gids was niet meer correct maar de dame van de bar wist daarmee wel raad. Twee uur later kwam ik even na zessen in Mombuey aan. Een jonge vrouw aldaar wist van mijn komst en praatte veel maar we begrepen elkaar in het geheel niet. Na het douchen en wassen kwam ik de Duitse dames weer tegen. Ik belde met Joke in Berlijn. De comedor, de eetzaal, zou deze avond dicht zijn wegens een bruiloftsdiner. Het was toch al een drukte van belang in het hostal al was het alleen maar wegens het mega TV scherm waar een voetbalwedstrijd door een omvangrijke schare enthousiaste mannelijke liefhebbers werd gevolgd. Bij het dagelijkse biertje bestelde ik voor de zekerheid maar een “raciones jamon serrano”. In de winkel aan de overkant was opvallend veel te koop. Zonder een avondmaaltijd te hebben gebruikt maar wel met een paar pakjes yoghurt in de maag legde ik mij te ruste. In de spiegel zag ik tot mijn schrik boven mijn ellebogen zeer donkere plekken. Ik kon mij niet herinneren dat ik mij lelijk gestoten had. Het bleek dat de achterkant van beide armen diep bruin waren verkleurd door de zon (lees: verbrand).
|
O |
mdat het zondag was gunde ik mijzelf een extra kwartiertje in bed. Hierna volgde het dagelijkse ritueel. Aan de bar waren uitsluitend Madelena’s te krijgen dus volstond ik met alleen een kopje thee. In de kamer boven werd (oud) brood, noten, appel en yoghurt als ontbijt genoten alvorens de dagelijkse tocht zou worden aangevangen. Van de glimlachende barman hoorde ik dat de Duitse dames al met een auto waren vertrokken en daarmee het eerste deel zouden overbruggen. Het eerste stuk van de route op deze dag gaat prima. Eerst liep ik zonder overhemd maar al spoedig was dit te fris en is het overhemd toch aangetrokken. Het blijft maar “net iets te fris” met een te harde wind. De natuur is schitterend. Overal begon de bloesem uit te lopen. De witte en gele brem was alom aanwezig. In Cernadilla zou geen voorziening zijn maar niets bleek minder waar. Op nog geen 50 meter van de Camino bevond zich een bar annex winkel. De bardame had een treffende gelijkenis met de vrouw die Paul de Leeuw uitbeeld, het was net Annie de Rooij.
Hier dronk ik de beste “Café Americano” van de hele Camino. Later zat ik in een dorpje op een bank voor een huis en even later zat de bewoner naast mij en stonden een viertal grijsaards voor mij en maar vragen, en maar kletsen. De mensen zijn erg aardig en ze willen graag met je praten. Je bent als back-packer op dit moment nog iets bijzonders omdat de hordes hier nog niet komen. Het vervolg van de weg werd steeds taaier. Mijn bovenbeen speelde steeds maar op en ik moest steeds vaker rusten. In de middag ging het windjack aan en zette ik mijn pet op tegen de alom aanwezige wind. Ik was lelijk verkouden en bij het hoesten kokhalsde ik soms. De weg bleef maar stijgen. In een ongelofelijk vette kroeg in Palacios de Sanabria kocht ik een Fanta Naranja en een bocadillo jamon. Het broodje ging voor de helft in de rugzak voor onderweg. De barman was niet om aan te zien. Deze vent was in dagen niet geschoren en niet gewassen. De pastoor die er wat dronk was ook al vlekkerig en toonde in het geheel geen belangstelling voor wat er in zijn omgeving plaatsvond. De vrouw des huizes kwam ook nog even kijken en zij sneed een stukje chaurizo af en propte dat in haar mond om het vervolgens op te kanen. Brr. Bij een huis langs de N525 heb ik voor de laatste keer gerust en vervolgde ik de tocht langs de eerder genoemde weg tot in Puebla de Sanabria. Nèt voor Sanabria begon het hevig te dreigen en heb ik de hoes rond mijn rugzak aangebracht om eventuele regenschade te voorkomen. Aan de voet van de burcht bevond zich een lange trap met meer dan 100 treden. Dat was me op dat moment iets te veel van het goede. Ik verkoos een omtrekkende beweging te maken over de gewone weg naar het centrum van deze stad. Ik rekende erop dat op de Plaza Mayor, het episch centrum van iedere Spaanse stad, een hotel of hostal te vinden zou zijn. Niets was minder waar. Ten onrechte liep ik de lange en steile weg om persoonlijk vast te stellen dat daar niets was dus manmoedig werd de reis naar beneden weer aangevat. Uiteindelijk vond ik op halve hoogte het hostal Peamar waar ik na een uitgebreid inschrijfritueel voor pts 2500 een kamer kreeg toegewezen. Na het biertje was het tijd voor mijzelf en de kleren. Deze laatsten werden in een tochtige gemeenschappelijke badkamer te drogen gehangen. Uit eigen waarneming bleek namelijk dat deze zaak niet vol was. De sloten op de deuren waren van die “Spaanse” sloten waar het slot IN de deurknop zit en waarvan je nooit weet welke kant je de sleutel moet opdraaien om de zaak open of dicht te krijgen en als het je dan uiteindelijk gelukt is, dan weet je vaak niet waarom het deze keer wèl is gelukt en al die andere keren niet. Een uurtje lag ik op bed te denken/dromen/piekeren van hoe nu verder? Rond acht uur belde ik met Joke en Ingeborg in Berlijn voor de actualisering van de homepage. De beenspieren herstelden zich door de rust verwonderlijk snel en daarna ben ik nogmaals naar het hoogste plekje van deze stad gelopen voor het maken van foto’s van het stadshart, de citadel en haar omgeving. Tante Mieke gaf niet thuis in het ziekenhuis en Fréderique was constant in gesprek omdat er aldaar werd ge-internet. De weersvoorspelling gaf aan dat er sneeuw wordt verwacht. Buiten was het dus berenkoud. In de bar werd nog een biertje genuttigd, werd de administratie bijgewerkt en werd er gekeken naar het voetballen dat door 15 mannen luidruchtig werd gevolgd. Daarna werd de eetzaal opengesteld en kon er worden gegeten. Tegen half tien ging ik als eerste aan tafel. Domingo had mij gezegd dat de regionale wijn Toro wijn is dus die bestelde ik. Het bleek wijn te zijn van 13% en deze had een zeer diepe kleur. Bijna zwart. De smaak was uitstekend. De “Chuleton Peamar” bleek een ongewone T-bone steak van anderhalf pond te zijn, inclusief alle merg en botten die daar bijhoren. BSE en MKZ kenden ze nog niet in Spanje. Het smaakte verrukkelijk. De wijn was flink koppig en ik maakte plannen om de wijn een reisje door Spanje te gunnen ofwel een waterfles te vullen met deze voortreffelijke drank. Na afloop van de zeer copieuze maaltijd werd deze afgesloten met een wilde havanna, een Copa Carlos III en een Café Americano. Nadat ik de rekening voor het gehele aangename verblijf had gevraagd kreeg ik nog een koffie en nog een borrel met een kop erop. Dat viel echt niet mee. Dat alles kostte mij, inclusief slapen uiteindelijk Euro32,91 en dat was op dat moment in mijn beleving niet veel.
|
P |
rima sliep ik maar om zes uur werd ik definitief wakker. De hele nacht was het noodweer geweest. Aan storm en regen geen gebrek. Het zou deze dag een korte tocht worden dus deed ik rustig aan. Buiten gekomen bleek dat de bakker nog 5 minuten nodig had voordat het brood uit de oven zou komen. Tante Mieke gaf tegen half negen weer geen gehoor dus heb ik eerst maar ontbeten met oud brood in de slaapkamer. In de bar is een kop thee genuttigd en bij de bakkersvrouw is een warm brood gekocht. De weg naar de oude N525 werd, na het gevraagd te hebben, vrij snel gevonden. Na 5 km was ik zeer tevreden want alles liep op schema en de afstand was keurig binnen de daarvoor beschikbare tijd afgelegd. Nadat ik dat had vastgesteld kwam ik in een bremveld terecht terwijl ik de lijn van de elektriciteitsmasten zou moeten volgen. Het werd heuvel op, heuvel af over steeds smaller wordende, naar later bleek, koeienpaadjes en ik was dus verdwaald en de koekoek maar juichen: net-goed, net-goed!. Uiteindelijk ben ik op mijn kompas weer op een weg gekomen met het nummer C622. De tocht verliep verder rommelig. Rond het middag uur had ik 12,5 km gelopen toen ik in Requejo de Sanabria arriveerde. De Duitse dames zaten daar in een bar koffie te drinken en toen ik binnenkwam was dat het sein voor hen om te vertrekken maar niet voordat Ida mij de mantel had uitgeveegd nadat ik gemeld had dat ik problemen had met de overbelaste spier waar tot dat moment geen medicatie op losgelaten was. Ik was moe. Ik belde Fréderique thuis en we praatten een beetje bij. De bardame wist bij mijn binnenkomst nog niet wat “Café Americano” was maar bij mijn vertrek wist ze het wel en kon ze het op de juiste manier prima bereiden. Om de spieren zo veel als mogelijk te ontzien is ervoor gekozen om de route langs de oude N525 te volgen in plaats van te kiezen voor een route door het geaccidenteerde gebied. Het was zeer winderig en koud. Op sommige plaatsen in de schaduw lag sneeuw. Op enig moment moest ik een lange tunnel door. Op bepaalde plaatsen lekte het tunneldak en het water was dan door de heersende kou bevroren. Een bonte reeks stalactieten (tot een halve meter lang) hing aan het plafond en met een ferme klap viel af en toe een ijspegel van het plafond in gruis op het wegdek. Het was daar dus goed oppassen geblazen. Uiteindelijk arriveerde ik op de Portilla del Padornela op 1329m hoogte. In het dorpje waren verschillende winkels en in één daarvan trof ik de dames weer. Gezamenlijk liepen we naar het Hotel Padornela waar nog voldoende kamers beschikbaar waren. De kleren werden onmiddellijk gewassen want die waren van het zweet nat geworden. In de badkamer bevond zich een radiator en in de slaapkamer eveneens. De badkamer had een normaal ligbad, alleen de stop ontbrak. Het waterglas van het hotel in bad gebruiken vond ik wat link dus gebruikte ik de Mepal beker van Fréderique als afdichting van het gat en ik liet het bad vervolgens vollopen. Het water had een zwarte weerschijn maar dat deerde mij niet. Heerlijk onderuit liggend heb ik zeker een half uur in het hete bad gelegen dat weliswaar zeer langzaam leegliep maar steeds tijdig met heet water kon worden bijgevuld. De was droogde snel, buiten was het bitter koud en ikzelf was nog heerlijk rozig van het bad. Voldaan viel ik in slaap op het onvervalste ouderwetse slap geveerde Spaanse wiebelbed. Het deed mij denken aan een lelijke eend uit de zestiger jaren. Op de TV kon slechts (met de schotel) een beperkt aantal TV zenders worden ontvangen dus heb ik een poosje naar “Gran Hermano” ofwel “Big Brother” gekeken. Het was krek hetzelfde als in Nederland. Gran Hermano werd gevolgd door voetbal. Joke belde mij tegen half negen. Alles ging goed in Berlijn. Om half negen liep ik alvast naar de eetzaal maar deze zou pas om negen uur open gaan dus is er maar weer naar het voetballen gekeken. Uiteindelijk werd er de bestelling opgenomen en toen bleek dat er geen salade meer aanwezig was dus moest ik het met soep doen. De chuleton X bleek (alweer) een T-bonesteak te zijn. Het was best wel weer lekker maar het was toch een beetje teveel van het goede. In de loop van de avond kwamen er steeds meer mannen eten. Meestal waren ze zoals ikzelf alleen, soms waren ze met z’n tweeën.
|
H |
et was 1 mei en dus was het alweer een nationale feestdag. Op het parkeerterrein stonden zeker zo’n 15 vrachtauto’s waarvan de chauffeurs voor een deel in de cabine sliepen en een deel in het hotel. Een tweetal Guardia Civil mannen stonden aan de bar van een koffie te genieten. Ontbijten kende men ook hier niet dus is de bak thee meegenomen naar de kamer waar met oud brood is ontbeten. Het hele gebied hier is in de loop van de laatste 20 jaar volledig overhoop gehaald. Vroeger had men de beschikking over de oude N525 en dat was het. Enige tientallen jaren terug ( 10-20-30 jaar ??) heeft men een nieuwe N525 aangelegd, inclusief indrukwekkende viaducten over de dalen die gepasseerd dienden te worden. Vrij recentelijk heeft men een vierbaans “A52, Auto Pista” aangelegd langs een rechte lijn, inclusief allerlei kunstwerken. De nieuwe N525 is hierdoor overbodig geworden en zo kan het voorkomen dat er drie kunstwerken naast elkaar liggen, twee in gebruik voor de A52 en één slechts voor het weinige lokale verkeer. De route te voet naar Santiago vanaf de Padornela-pas kan op twee manieren worden vervolgd: via de “overkant” over een pad dat het geaccidenteerde terrein onder een lange reeks van elektriciteitsmasten volgt of over de oude N525 die weliswaar kilometers langer is maar minder sterke stijgingen en dalingen kent. De oude N525 route werd door mij gekozen. Het was een rustige weg. Er kwam niet meer dan één auto per uur voorbij. In een dorpje school achter een witte deur een vrij moderne bakkerij. Diverse fraaie bushalte wachthokjes werden gepasseerd. De bus echter zal hier nooit meer komen. Over tenminste twee lange en hoge viaducten ben ik heen gelopen. Het wegdek lag schuin en hier en daar ontbrak een stuk van het leuningwerk. Daarnaast kierde de vloer nogal op verschillende plaatsen. Voor iemand met hoogtevrees zoals ik was dat, vele tientallen meters boven het maaiveld, geen onverdeeld genoegen. Gelukkig was er geen verkeer en kon ik ruim op het wegdek, ver van de rand, mijn weg vinden. Op enig moment kwam ik een bord tegen met daarop: A Gudiña 16 km. Dat zat dus aardig mee. Na 1½ uur kwam ik een bord tegen met daarop: A Gudiña 15 km. Over opschieten gesproken!! Er was daar van alles veranderd maar de borden had men gewoon laten staan. In Puesto de Lubián heb ik in de kazerne van de Guardia Civil een stempel gehaald. Bij de Portela de Canda moest ik weer door een lange autotunnel lopen om A Canda te bereiken. Het dorp zelf heb ik nooit te zien gekregen alhoewel het er wel moest zijn. Het was goed weer, de zon scheen maar IN de wind was het zeer koud. Bijna de gehele dag hield ik mijn pet op en had ik mijn windjack aan. In hostal Porta Galega te Vilavella heb ik een broodje gegeten en thee gedronken. Op de verwarming heb ik mijn bovenkleding gedroogd. Ik had er wel bekijks mee. Vanaf dit dorp heb ik de aangegeven route gelopen. Deze was van ongekende schoonheid. Ik liep over mooie, ommuurde paden, granieten paden door de drassige stukken en over een soort moderne knuppelpaden. Er stonden nu eens veel pijlen langs de route. Daarnaast heeft, volgens overlevering, een lokale kunstenaar vele beelden gemaakt die langs de route staan. Verschillende fraaie exemplaren ben ik gepasseerd. In meerdere dorpjes heb ik op banken voor de woningen gepauzeerd en even over vijven liep ik langs bij de VVV van A Gudiña die- uiteraard – was gesloten. Er was een briefje opgeprikt met daarop een mededeling voor pelgrims inzake de refugio die in dit dorpje aanwezig is. Inmiddels is het zeer koud en bij een garage heb ik de weg gevraagd naar de refugio. Dat werd keurig en uitvoerig uitgelegd door een monteur in de garage. Na ca 10 minuten stond ik oog in oog met een fraaie refugio die er zeer gesloten uitzag. Er werd gebeld, geklopt en gevraagd. Omdat er kennelijk verder niets aan te doen was liep ik terug en ca 50 meter vanaf de refugio trof ik de Duitse dames. Ik legde uit wat mijn ervaring was. Er volgde uitgebreid beraad. Een oudere man bemoeide zich ermee en met de GSM werd tegen beter weten in het gemeentehuis gebeld. Het was 1 mei, alweer een feestdag en dus kregen we nul op rekest. Een buurman gaf aan waar er mensen wonen die bemoeienis hebben met de refugio waar onder de burgemeester. Ida en Hildegard, die beiden goed thuis waren in de Spaanse taal, kwamen er na 20 minuten achter dat de refugio verhuurd was aan een groep ????? en dat de huurders de sleutel in hun zak hadden. Ida onstak in woede en stelde dat zij niet wilde blijven in een gemeente waar pelgrims buiten hun refugio kunnen worden gesloten. De drie dames sjokten naar het nabij gelegen spoorwegstation waar binnen 5 minuten de tweede trein van deze dag naar Ourense zou vertrekken. Omdat ik de hele route te voet wilde afleggen bleef ik eenzaam achter. Vervolgens liep ik het hostal binnen van waaruit de hele discussie door de aldaar aanwezigen met belangstelling werd gevolgd. Dit hostal was vol (volgens de jonge dame achter de bar). In het nabij gelegen hostal Oscar werd Joop met open armen ontvangen. Het was weliswaar een vettig adres maar in ieder geval gastvrij.
Na het wassen werd de bar bezocht voor een versnapering en werd naar de TV gekeken. Het programma heette Feria Sevilla. Later thuis heb ik dat ook nog enige keren op TVE bekeken. Het is een soort show programma met zang, dans en stierenvechten. Joke belde nog dat ze op weg was naar huis. ’s Avond zat ik in de eetzaal onder de TV eenzaam te kluiven aan een kalfssteak en een salade en dat voor maar Pts 1.200. Inmiddels was ik het water uit de kraan met een hevige chloorsmaak meer dan beu en dus nam ik bij het avondeten steeds altijd een fles met 1 ½ liter mineraalwater die ik voor 1/3 bij het eten opdronk en de rest in de veldflessen goot voor onderweg. Het weerbericht voor deze hoek van Spanje beloofde niet veel goeds. Er werd regen en sneeuw voor de komende drie dagen verwacht. Om elf uur ging ik naar bed.
|
O |
p woensdag werd ik rond half zeven wakker. De hele nacht had ik liggen piekeren hoe ik de dagtrip van 38 km zou kunnen inkorten door bijvoorbeeld 10-15 km te smokkelen door met bijvoorbeeld de bakker mee te rijden. Ik keek rond deze tijd naar buiten en zag uitsluitend sneeuw en mist. Ik kon mijn ogen niet geloven maar het bleek de harde werkelijkheid. Terug in bed heb ik onbedaarlijk liggen lachen. Wat is dit nu? Wat moet ik nu doen? Alle scenario’s passeerden de revue. Ik besloot eerst maar eens af te wachten hoe het één en ander zich zou gaan ontwikkelen. De rugzak werd ingepakt en beneden was er, zoals gebruikelijk, geen ontbijt maar alleen thee. Ik besloot eerst maar eens naar het treinstation te gaan. Er komen hier twee treinen per dag, ‘s morgens om 07.00h en ’s avonds om 18.15h. Vervolgens ben ik naar het gemeentehuis gegaan voor een stempel want dat was de laatste dagen toch wel in de versukkeling gebleven. Het bleef maar (nat) sneeuwen en al spoedig lekte mijn windjack door. Ondanks alle voorzorgsmaatregelen was mijn jas zo lek als een mandje. Terug in de bar werd overlegd met de barman. Komende dagen was het weer volgens hem pedt. Hij zag geen kans om mij een goed advies te geven. Zijn moeder wist hoe laat de bus zou vertrekken maar mamma lag nog in bed. Tegen half tien verscheen mamma en die wist te vertellen dat er rond 10.00h een minibus zou vertrekken naar Verín waar een “Estacion de Autobuses” zou zijn. Na een bak koffie posteerde ik mij bij het spoorwegstation op de aangegeven plaats en op de afgesproken tijd was daar de buurtbus. De chauffeur schreef zelf de kaartjes uit en na een uurtje was ik in Verín. Hier vandaan stapte ik in de bus naar Ourense om daar vervolgens de bus naar Santiago de Compostela te nemen. Onderweg was er sneeuw en regen zat.
Rond 16.00 uur arriveerde ik in Santiago op het busstation. Ik heb een poging gedaan gelijk per bus door te reizen naar huis maar dat lukte niet, waarna ik te voet naar het treinstation liep. Het was warm en drukkend weer. In het treinstation, waar de verwarming brandde en mij door de emoties en het lopen het zweet uitbrak, kocht ik diverse tickets om in Rotterdam te komen. Nu kon ik hier vandaan ook al de Thallys vanuit Parijs naar Rotterdam reserveren. Drie tickets rijker en Pts 29.600 armer ging ik richting centrum. Bij Suso wilde ik graag slapen maar deze was vol (zei de zoon van de eigenaar) en hij verwees mij naar een ander hostal met de naam Tita. Daar nuttigde ik eerst maar eens een stuk tortilla want ik had deze dag van de weeromstuit nog niet geluncht. Met gemengde gevoelens bezocht ik de kathedraal en heb daar Jacobus op passende wijze begroet. In de stad heb ik nog wat rondgelopen maar ik vond er niet wat ik zocht. Het bureau voor de pelgrims heb ik eveneens niet bezocht. De terrasjes waren gesloten en de mensen liepen haastig door de straatjes. Er waren nauwelijks pelgrims die als zodanig herkenbaar waren. ’s Avonds bezocht ik de mis van half acht. In tegenstelling tot wat ik eerder mee had gemaakt werd de mis door minder dan honderd personen bijgewoond. Een groep van vier Duitse mannen waren de enige lopers die ik heb gezien. In de bar van het hostal heb ik het avondeten genuttigd.
|
I |
n de voortreffelijke badkamer heb ik heerlijk gedoucht en vervolgens heb ik beneden een kop thee gedronken alvorens ik naar het spoorwegstation zou gaan. Op mijn gemak wandelde ik tussen de vroege vogels naar het station waar ik voor half negen arriveerde. Ik nam daar een koffie en een croissantje en daar was een pelgrim met een vilten jagershoedje op. We keken elkaar aan en ik nodigde hem uit bij mij aan tafel. We raakten geanimeerd ik gesprek. Hij was voor de vierde keer naar Santiago gekomen maar nu was het echt de laatste keer geweest. Hij had een winkel en een rijdende kruidenierswagen gehad maar nu was hij gepensioneerd. Het bleek dat hij in de zelfde wagon zat als ik dus zijn we bij elkaar gaan zitten. Om 09.00 uur vertrok de trein. De trein was onvoorstelbaar lang onderweg, vaak werd er gestopt, vaak werd er langzaam gereden. Hij stopte onder andere in Ourense, de stad waar ik de dag tevoren ook al was geweest. Rond drie uur waren we in Astorga en veel mensen stapten uit en veel anderen (vaak met rugzak) stapten in. Hans, die over weinig zelfvertrouwen beschikte, vroeg aan de mensen waar ze naar toe gingen. Naar Santiago luidde het antwoord. Dan zit U verkeerd want deze trein gaat naar Léon. Discussie wat de bestemming van deze trein was volgde en met tegenzin pakte ik mijn rugzak om op het station aan een spoorweg autoriteit te vragen hoe het nu werkelijk zat. Het bleek dat tussen Astorga en Léon door het aanhoudende slechte weer de rails in ongerede was geraakt en al gedurende enige weken werden de passagiers op dit stuk vervoerd met een bus. Niemand had ons dat verteld, de kaartverkoper de dag te voren niet en de conducteur die twee keer was langs geweest ook niet. Waar staat de bus, mijnheer? Nu, die was dus al vertrokken. Een jonge Italiaanse vrouw die behoorlijk in het Spaans kon communiceren was ook gestrand en na een in eerste instantie afwerende houding maar na een 20-tal telefoontjes met even zovele belangrijke functionarissen elders werden we gedrieën door de stationschef mee naar buiten genomen waar een oude Opel Vectra diesel taxi met een zeer dikke Spanjaard dommelend achter het stuur zat te wachten. Na een uitgebreide briefing volgde een dodemansrit van bijna een uur naar Léon. Alle stoplichten stonden op dit tijdstip op rood en het leek wel of aan alle straten werd gewerkt. In de buitenwijken van Léon werd de chauffeur op zijn GSM gebeld en hij antwoordde onder andere “nog vijf minuten”. Nu, dat klonk positief. We waren kennelijk nog niet vergeten. Bij het station in Léon stonden een tweetal spoorwegfunctionarissen op ons te wachten en die begeleidden ons naar de trein die onmiddellijk na het instappen vertrok. We vonden het beiden prachtig. Een paar uur later stonden we op een station te rangeren en op het achterdek van onze wagon volgden we de verrichtingen van het ontkoppelen. Hans was spoorwegfanaat en hij deed van alles met model spoortreintjes. Nu zag hij alles in het echt. Na het loskoppelen van het achterste deel van de trein vertrok onze trein direct. Na een paar minuten kwam er een man bij ons die door de afgesloten doorzichtige deuren naar zijn eigen wagon wilde die er, zoals bleek, niet meer was. Hij had in “onze” restauratie afdeling een fles water en een zakje chips gekocht. Deze man spoorde niet helemaal en hij kon niet praten. Hij kreeg bijkans ter plaatse een hartaanval . Hij liet ons zijn treinkaartje zien maar daar konden we niets mee. “Ga maar naar de chef”, was het enige wat ik wist te bedenken. Zo’n 10 minuten na vertrek stopte de trein bij een piepklein perronnetje en de man met de fles water en zakje chips werd uitgeladen en daar stond hij dan in z’n vestje in de miezerige regen. Ik had veel medelijden met hem. De trein vertrok en onze vriend bleef eenzaam achter. Na een paar minuten passeerden we een trein in tegengestelde richting en ik ga ervan uit dat onze pechvogel door deze trein is meegenomen naar zijn eigen wagon.
Hans en ik vonden het een prachtig stukje entertainment maar we waren blij dat het ons niet was overkomen. In de restauratiewagen werd door ons regelmatig iets te drinken en/of te eten gehaald en zo reden we met meer dan anderhalf uur vertraging uiteindelijk tot ons beider opluchting Hendaya binnen waar we nog een uur de tijd hadden om in de slaaptrein naar Parijs te komen.
In Hendaya heb ik nog wat gegeten en heb ik naar huis gebeld.
De couchette deelde ik met een ouder echtpaar. Zij sliepen beneden, ik had een bed boven. Bij ieder hoofdeind bevond zich een rekje met 2 halve liters mineraalwater. De rugzak werd boven in het bagagerek gelegd en de kleren werden tot hemd en onderbroek uitgetrokken. De mevrouw zag het met lede ogen aan. Dat nooit, moet ze gedacht hebben want geheel gekleed kroop ze tussen de flappen van de dunne slaapzak. Midden in de nacht moest ik er toch nog even via het wiebelige laddertje uit. Slechts gekleed in onderbroek, T-shirt en de hoge Meindls met losse veters liep ik, in eerste instantie niet maar in tweede instantie wèl opgelucht, door de trein.
Precies op tijd arriveerden we op Gare d’Austerlitz in het zuiden van Parijs. De transfer naar Gare du Nord met de metro was snel gemaakt en daar hebben Hans en ik samen ten afscheid een Frans ontbijt genuttigd. Hans vertrok voor eeuwig tegen negenen richting Keulen en ik tegen tienen richting Rotterdam waar ik om even over tweeën door Joke werd opgehaald.
Aan een vreemde pelgrimage in een ongelukkig jaar was tot grote opluchting van de betrokkenen een einde gekomen.
Joop’sVía de la Plata
Etappe 3 in 2001
|
O |
p een mooie dag in mei heb ik een wandeling gemaakt naar Oud Beijerland om Fréderique te bezoeken en om foto’s op te halen. Op de terugweg bezocht ik het clubhuis van Hoekschewaards Landschap en ik vertelde aan Merijn, de beheerder van het natuurbezoekers centrum, van mijn bevindingen. Bij Merijn vond ik een willig oor en veel begrip want zelf is hij een echte Santiago-ganger en had hij ook te maken met een recentelijk onvoltooide tocht naar Santiago. Op zijn vraag: “Wanneer maak je het nu af?” antwoordde ik gekscherend: “Als jij mee gaat binnen een paar weken”. Beiden lachten we erom. Na een paar dagen nam Joke de telefoon aan. Merijn aan de bel. Ik was niet thuis maar nadat het contact was gelegd bood Merijn aan om mee te gaan naar Spanje om de zaak af te maken. De verrassing was maximaal omdat ik de gemaakte opmerking in feite al was vergeten omdat deze eigenlijk niet echt serieus was bedoeld. Daarnaast kende ik Merijn alleen van een enkele ontmoeting tijdens de Oeverloop. Afspraken zijn gemaakt en verlof is geregeld met de achterban. Ik zorgde voor de buskaartjes dat niet geheel soepel liep omdat in eerste instantie een retourticket was toegezegd en in tweede instantie werden het twee enkele reizen. In derde instantie kregen we toch het retourticket dat uiteindelijk 25% goedkoper was dan de twee enkele reizen. Op 7 juli stapten we in de bus naar A Gudiña en uiteindelijk bereikten we op 18 juli El Faro, het einde van de oude wereld nabij het stadje Kaap Finisterre.
Zaterdag 7 juli, Hoekschewaard – A Gudiña lekker weer
|
O |
m even over twaalven haalden we Merijn op in Mijnsheerenland. Onderweg praatte Merijn honderd uit over allerlei onderwerpen. Dat was erg gezellig. We hadden als opstapplaats Breda gekozen omdat de reis naar Spanje vanuit Breda een uur korter duurt dan vanuit Rotterdam. Vierentwintig uur in plaats van vijfentwintig uur. In Breda hadden we de eerste meevaller: de betaalautomaat van de parkeerplaats was “Out of order” en er kon dus gratis worden geparkeerd. De opstapplaats naast het spoorwegstation is krap bemeten en het was er een drukte van belang. Bussen met aanhangers, kleurrijke afscheid nemende familieleden en enorme dozen met bagage. Even over tweeën arriveerde de bus en het bleek dat we op de passagierslijst stonden. De bus was nagenoeg vol maar om nu nog steeds onduidelijke redenen bezetten Merijn en ikzelf uiteindelijk ieder een bank achter in de bus. Vier zwarte Portugees-Nederlandse jongens keken wel verrast maar toen begreep ik nog niet waarom dat was. In België werden hier en daar nog mensen opgehaald en ook werd er voor de eerste keer gestopt omdat de chauffeurs al langere tijd onderweg waren. De reis naar Parijs leek voorspoedig te verlopen maar ergens op de tolweg werd al het verkeer van de weg gehaald wegens een omvangrijk ongeluk. Toen begon het zwerven in het donker over de oude Route Nationale N1. Aan files was er geen gebrek. Aanzienlijk later dan gepland arriveerden we net onder Parijs rond 24.00h op een bus verzamelplaats waar de chauffeurs een flinke stop hielden. Eén van de vier bussen die met ons passagiers zouden uitwisselen was betrokken bij een (kleine) aanrijding en dat gaf een extra vertraging. Na de grote wisseltruck gingen we ruim na middernacht met een andere bus uiteindelijk op weg naar Spanje met ieder weer een eigen bank. Het was rustig maar toch gezellig in de bus. Er werd regelmatig gestopt om wat te eten. De chauffeurs kortten de standaard rustpauzes wat in en zo kwamen we uiteindelijk na een redelijk comfortabele reis met slechts ruim een uur vertraging aan in A Gudiña, het stadje ergens tussen Zamora en Ourense, waar ik op 2 mei de bus naar huis had genomen. De stopplaats ligt ergens langs de doorgaande weg, in feite langs de oude N525 aan de hoek van het spoorweg emplacement. De in mei al omgereden muur was nog steeds omgereden. Het was een goed weerzien.
De afstand naar de refugio was slechts een paar honderd meter en het was bekend terrein. De refugio was geheel gesloten maar er prijkte een briefje met een mobiel telefoonnummer van de Protección Civil op de deur. Gelukkig had Merijn een GSM in zijn rugzak en ik spreek enige woorden Spaans. Binnen tien minuten stond er een 4x4 voor onze neuzen en een uiterst vriendelijke jonge Spaanse vrouw was ons ter wille. De voordeur en de raamluiken werden geopend, routineus volgden de gebruikelijke rituelen van inschrijven in het gastenboek (waar kom je vandaan, wat is je motivatie, hoe ben je hier gekomen, hoe oud ben je enz.) en Credentials afstempelen en we kregen een korte rondleiding door het gebouw. Hierop verdween de vrouw en binnen een kwartiertje verscheen daar Fernando uit Madrid, een biker. Er werd weer getelefoneerd en het vrouwtje verscheen weer en ze was nog steeds uiterst vriendelijk.
De refugio’s |
Na het douchen en bed gereed maken werd er nog even gespeurd naar een mogelijkheid tot reserve sleutel voor Fernando. Wonderlijk genoeg vonden we die dus konden we onze eigen gang gaan. In Hostal Oscar is een versnapering genomen en vervolgens is er gegeten. Merijn is vegetariër en dat is in een land waar men alles eet dat kruipt en/of loopt een ongewoon verschijnsel. Met wat duwen en trekken is het uiteindelijk bijna altijd gelukt een maaltijd tot genoegen te nuttigen. Nauwelijks vermoeid van de reis gingen we tegen elven naar bed.
Maandag 9 juli, A Gudiña – Laza 33,5 km heet, 36oC – 38oC
|
H |
et was een zeer donkere nacht (vanwege de gesloten luiken). Om kwart voor zeven stonden we op voor een ontbijt met Hollandse krentenbollen en Maria kaakjes. Om kwart voor acht gingen we op pad. De startplaats is wat wonderlijk aangegeven maar na enig beraad hadden we het begin te pakken en kon de lange weg die over een lengte van 6,5 km alleen maar stijgt tot 1080m hoogte, beginnen. Het uitzicht over de bergen en het stuwmeer was schitterend. De zon brandde en er was geen schaduw. Twee keer hebben we (te?) kort gerust en uiteindelijk belandden we na 19 km in een bar anex levensmiddelen zaak in Campobecerros. Er werd een broodje kaas besteld. Er werd een nieuwe kaas gepakt en er werd ons gevraagd om er zelf een stuk vanaf te snijden. Dat lukte aardig. Het stuk werd gewogen en samen met het brood aangereikt. Geheel verkwikt ging het verder onder de onbarmhartig schijnende zon. De vlinders fladderden en de bloemen schitterderden. Op een berghelling tijdens een afdaling kruiste een wild zwijntje onze weg. Op veel plaatsen is er een mogelijkheid tot watertappen aan een fuente, een soort dorpsfontein. Onderweg op een vlakte was een groot houten kruis opgericht en het wordt steeds meer een gebruik om aan de voet van zo’n kruis een steen achter te laten. In As Eiras is een opmerkelijk ingerichte barbecue annex picknickplaats waar we enige tijd in de schaduw verbleven en de voeten koelden onder de kraan. In Laza, aan het begin van het dorp, meldden we ons bij het kantoor van de Protección Civil. Na de gebruikelijke formaliteiten werd er per mobilofoon een auto opgeroepen en met een 4x4 werden we naar de sporthal gebracht waar in de kelder een prima slaapzaal is ingericht. Sanitair is hier zeer ruim voorhanden. Naast de sporthal legde men de laatste hand aan een –alweer- schitterende design refugio die in augustus geopend moet worden. Het was een pittige dag om te beginnen. Veel zon en een flinke afstand. Het was dan ook te voelen aan de voeten en ik had zowaar een blaar. Het zou de enige zijn van deze trip. Gedurende de dag heb ik mij regelmatig afgevraagd of de afbreking in mei van deze trip terecht is geweest. Gezien de vele gele pijlen die op de grond waren aangebracht ben ik tot de conclusie gekomen dat het een juist besluit is geweest.
De refugio is ondergebracht in een sporthal. Via een loopbrug over een droge slotgracht en via stalen deuren komt men het gebouw in. Rechtuit lopend komt men op de tribunes en wanneer men in de hal de trappen afgaat komt men in de kelder waar de kleedruimtes zijn. Aan het einde van de gang was een forse ruimte (voormalige materiaal opslag?) waarin ruim 20 bedden stonden en een flinke stapel matrassen lagen ten behoeve van een noodlager.
Na het douchen en kleding wassen (iedere dag is de vuile was netjes gewassen) deed ik een dutje. Na het wakker worden overviel mij een ongecontroleerde bibber- en klappertandsessie die pas na een paar minuten onder controle was. Hierna gingen we naar het dorp. Op het terras van het enige restaurant is een versnapering genomen en toen bleek dat de kok op maandag vrij was en de eetzaal dus gesloten was. Aan de overkant zouden we wel wat te eten kunnen krijgen. Dat bleek zo te zijn en tegen tienen gingen we aan tafel. Merijn had o.a. salata mixta besteld zonder vlees en zonder vis. Deze kwam dus met flinke stukken tonijn binnen. Tonijn is tonijn en dus kennelijk geen vis. Na de maaltijd werd er nog kaas genoten en er werd een verse fruitsalade geserveerd die ruimhartig was besprenkeld met spiritualiën. Het smeekte zeer maar een tweede portie heb ik toch vriendelijk doch beslist afgewezen. De bestelde koffie is nooit gekomen en de rekening, inclusief de drankjes bedroeg Pts 2.000 ofwel
€ 11,76 (Euro’s). Dat was dus niet verkeerd. Achteraf concludeerden we dat de mevrouw niet helemaal spoorde. Moe maar voldaan zochten we onze fortificatie op. De was was inmiddels drooggewaaid.
Dinsdag 10 juli, Laza – Vilar de Barrio 20 km, erg warm ca 36oC
|
O |
m zeven uur stonden we op en na een ontbijt met uitsluitend kaakjes en water gingen we om kwart voor acht op pad. Eerst naar de Protección Civil om de sleutel terug te brengen. Na aanbellen gebeurde er niets. Pas toen ik via het open raam en de gesloten luxaflex de sleutel naar binnen trachtte te wurmen werd de deur door een slaperige en niet vrolijke Spanjaard geopend en werd de sleutel aangenomen. Na een uitgebreid dankwoord vertrokken we.
Na zo’n 4 km rustten we wat uit bij een oud kerkje en daar kwam met veel getoeter de bakkerswagen aan. Er is brood gekocht en uiteraard is er van het brood gegeten. Een aardige vrouw kwam langs met een kudde van 20–30 geiten. Ze stopte bij ons en terwijl we doorpeuzelden lieten de geiten en bokken van alles vallen wat ze niet meer nodig dachten te hebben. De vrouw opende een poort en een modern gekleed meiske met rugzak en een gezicht op onweer kwam naar buiten en stelde zich voor de kudde op. Ze vertrok zonder te kijken en de moeder? joeg de kudde met een stok wat op zodat de dieren bij het wicht zouden blijven.
In Alberguería, een onbetekenend dorpje, rustten we wat uit op de stenen bank voor een woning. Een vrouw van rond de vijftig was bezig met de was. Een oudere vrouw (haar moeder?) zat in de schaduw van het huis met een vervaarlijk mes stukjes van een worst af te snijden die zij vervolgens in haar tandloze mond stopte. We konden water tappen uit de kraan en terwijl we zaten te eten kwam de wasvrouw een praatje maken. Merijn maakte een opmerking dat hij droog brood zat te eten. Hierna ging ze naar binnen en kwam terug met een homp brood en een stuk beschimmelde kaas en ook nog twee flesjes bier, zo uit de koelkast. Als pelgrim is het niet gebruikelijk om iets dat je krijgt aangeboden te weigeren dus uit beleefdheid hebben we de flesjes geopend en geleegd en dat smaakte wel heel erg goed. De lokale hond bedelde en nam uiteindelijk wat hij wilde: een stuk brood dat op mijn knie lag om te worden belegd.
De weg was verder van ongekende schoonheid. Mooie vergezichten wisselden kleurrijke paden af. Op de “Monte Talarino”staat eveneens een groot houten kruis. Gelijk aan het “Cruz de Ferro” op de Camino Francés laten pelgrims hier een steen achter die ze van thuis hebben meegenomen. Merijn heeft hier de stenen achter gelaten die hij bij zijn trip van vorig jaar richting Santiago (2000) niet heeft kunnen leggen bij het Cruz de Ferro. In de nerven van de houten paal zijn met een stenen hamer enige muntjes geslagen.
Na een lange afdaling arriveerden we in Vilar de Barrio waar op het dorpsplein een aantal terrasjes rijkelijk gevuld was met nieuwsgierigen die vanuit hun gemakkelijke stoel in de schaduw van een parasol vanachter een koel drankje de twee idioten bekeken die daar zwetend stonden te aarzelen. Bij de benzinepomp die op ca 10m van de dichtstbijzijnde bar staat stopten we en vanaf het terras kwam een jongeman naar ons toe die de formaliteiten vervulde en ons de sleutel gaf van de deur van de refugio. Het was alweer een prachtige, hagelnieuwe, design refugio met veel glas en weinig (geen) privacy. De was werd buiten te drogen gelegd en we hadden veel bekijks want de openbare bibliotheek was net boven de refugio gevestigd en de dames moesten via “onze” trap naar boven. Bovendien werd er in een naastgelegen gebouw iets van EHBO-les gegeven dus aan dames bekijks was geen gebrek. Na de persoonlijke uitwendige verzorging is de inwendige mens verzorgd, zijn er boodschappen gehaald en is een schoonheidsslaapje gedaan. Het stadje heeft geen officieel restaurant maar schuin tegenover de refugio is een zeer oude bar waar de uitbaatster bereid is om een maaltijd te verzorgen. Dat heeft zij keurig gedaan. Haar moeder van 96 zat bij binnenkomst tegenover een andere stokoude dame te knikkebollen. Communiceren ging niet want ze waren zo doof als een kwartel. De inrichting bestond uit een aantal marmeren tafels met een bonte verzameling vettige “Thonet” stoelen erbij. Aan vliegen was geen gebrek.
Woensdag 11 juli, Vilar de Barrio – Ourense 32,5 km, heet, 38 – 40oC
|
D |
e ochtend begon goed met nevelig weer. Nadat de nevel was opgetrokken werd het een lange, zeer lange zeer hete dag waarbij we zo veel als mogelijk van fuente naar fuente liepen om zoveel mogelijk van het vochtverlies aan te vullen. We zijn ongeveer 12 uur onderweg geweest. Onderweg hebben we enige tijd gerust in een lommerrijk weggetje. Een Spanjaard maakte aanstalten om te gaan joggen. We zeiden hem gedag en hij antwoordde ons in het Nederlands! We praatten wat en hij verwees ons naar zijn huis waar zijn zoon met zijn Nederlandse vrouw zouden verblijven. Het huis hebben we gezien maar er was niemand in de tuin zichtbaar dus liepen we door.
De laatste 10 km was moordend omdat we over een juist nieuw geasfalteerde weg door een industrieterrein moesten lopen zonder dat er een voorziening was voor voetgangers. Daarnaast werd het avondspits. Kortom, dit was het kwaadste stuk van de tocht. Bij een garagebedrijf werden we glimlachend door een jonge vrouw aangesproken. Het was de schoondochter. Met haar hebben we zo’n tien minuten staan praten maar mijn hoofd stond naar andere zaken. Eenmaal in Ourense aangekomen was het nog een taai stuk. Eerst bezochten we de plaatselijke VVV. Volgens mijn Engelstalige gids kunnen de medewerkers van de VVV het klooster van Oseira benaderen met het verzoek daar te kunnen overnachten. De jongelui wisten nergens van maar hebben het toch voor de volgende nacht voor ons geregeld. Er was volgens de telefonische mededeling in het klooster geen plaats meer maar als we er geen bezwaar tegen hadden, dan zouden we daar ergens op onze eigen slaapmatjes kunnen liggen. Na het VVV kantoor was het nog een hele klim naar boven naar de Convento San Francisco. Zeer warm en zeer moe werden we daar ontvangen door iemand die alle tijd had en intussen ook nog andere mensen te woord stond. Het blijkt dat deze refugio “bemand” is met een vrijwilliger die op deze wijze gedurende enige weken zijn vakantie nuttig besteed. De hospitalero toonde ons de refugio die in een zeer fraai gerestaureerd deel van een klooster? was gevestigd. Hij toonde ook de keuken, wees op de doos met de gebruikelijke inhoud van aangebroken flessen en pakken levensmiddelen (rijst, macaroni, zout, uien) en maakte de opmerking dat we alles mochten gebruiken. Dat was niet aan dovemansoren gezegd. De inhoud van de koelkast werd daarop aangesproken maar dàt scheen/bleek niet de bedoeling geweest te zijn.
Na eindelijk gedoucht te hebben zochten we een locatie op waar we wat konden eten. De tent had de toepasselijke naam ”Las Vegas”. Het vegetarische eten voor Merijn was geen probleem volgens de uitbater. Uiteindelijk kregen we na de salata mixta macaroni waarin speciaal voor Merijn op vier stukjes na al het vlees handmatig was verwijderd.
Donderdag 12 juli, Ourense – Oseira, 26,5 km ca 36oC
|
O |
mdat er weer veel zon werd verwacht stonden we al om kwart voor zes op. Na het aankleden en ontbijt in de centrale ruimte beneden (de lekkere dingen waren uit de koelkast verwijderd, kennelijk was dit privé bezit van de hospitalero) gingen we op pad. Het kostte nog bijna een uur om al stijgend, Ourense via de “Camino Real” uit te komen. De temperatuur was vanwege de ochtendnevel in eerste instantie aangenaam maar na half tien liep de temperatuur geleidelijk op naar 36oC en dat is warm. De route is prachtig. In een dorpje legden we ons op een plekje in de schaduw te ruste. Al gauw kwam er een man ons een appeltje en een blikje Cola aanbieden. Het was zeer gezellig met de man, zijn vrouw en zijn zuster maar van uitrusten kwam niet veel. Er zijn nog foto’s gemaakt maar die bleken mislukt te zijn. In een ander dorp was er paniek: er was kennelijk iets in brand gevlogen en een mevrouw liep driftig met een emmer water te slepen vanuit de fontein op het plein naar de plek des onheils terwijl een tiental mensen druk discussiërend stonden toe te kijken. Bij een boerderij hebben we veel water getapt en gedronken en aanzienlijk later dan gepland bereikten we uiteindelijk na een tocht van 10 ¾ uur het klooster van Oseira dat het mooiste gebouw van Galicia heet te zijn. Na een toegangsweg naar de gesloten voordeur gevonden te hebben heb ik aangebeld. Na enige tijd was er geschuifel en werd de deur op een kier geopend. Ik mijn beste Spaans heb ik aan deze “Broeder Portier“ het doel van het bezoek medegedeeld en we konden de rugzakken binnen de muren afleggen en we werden meegevraagd. Binnen een enkele minuut werden we aan een andere kloosterling toevertrouwd en werden we, met rugzak, mee gevraagd naar een plek diep in het klooster. We passeerden diverse gangen die vol hingen met schilderijen en iconen. Een medebewoner bleek een begaafd amateur schilder te zijn en veel van het getoonde was van zijn hand. Ons onderkomen bleek een schitterende 3–4 persoons kamer te zijn met twee badkamers!! Voor een pelgrim onderweg naar Santiago was dit ruim voldoende.
De gastenbroeder legde iets uit over het avondeten. Na het opknappen hebben we een korte verkenning uitgevoerd in de nabije omgeving van onze kamer. Een paar jongens, die kennelijk met hun ouders enige dagen in het klooster verbleven, vertelden in gebrekkig Engels hoe één en ander in elkaar stak. Nabij de eetzaal hebben we enige tijd gewacht en tegen half negen kwam onze broeder ons naar binnen halen. Het eten werd verzorgd door een charmante vrouw die duidelijk niet van dezelfde orde was als de ons bekende kloosterlingen. Achteraf blijkt het een klooster van de orde “Predikheren” geweest te zijn. Samen met ca 14 andere mensen gebruikten we een eenvoudige doch voedzame maaltijd bestaande uit een flinke schaal met snijbonen gemengd met aardappelen, chorizo, wijn en water. Daarnaast kon men genieten van zogenaamde “Cordon-Bleus”, een gepaneerde plak ham met daar tussen een plak kaas. Als toetje werd er banaan in chocoladesaus geserveerd. Het gezelschap was nogal divers: een gezin met 2 jongens, enkele mannen en een echtpaar met een Amerikaan van 40? jaar. Het verwachte gebed voor aanvang van de maaltijd bleef uit. Iedereen viel direct aan. Een goed gesprek is nauwelijks gevoerd. Na afloop bracht een ieder zelf zijn bordje naar de spoelkeuken. Zeer moe zochten we vervolgens ons mandje op. De ramen bleven open, de luiken waren gesloten. Zo kon het gebeuren dat ik midden in de nacht wakker werd van een roedel honden die aan het rommelen was.
Vrijdag 13 juli, Oseira – Prado 31,5 km goed weer ca 30oC, bewolkt
|
O |
m half zeven stonden we op. Er stond immers een forse wandeling voor de deur. In het donker liepen we door de lange kloostergang naar de eetzaal. Alles was donker en nog in diepe rust. Wat een pech. Een poosje hebben we gewacht. Hierna ging ikzelf nog maar eens op onderzoek uit. De eetzaal was weliswaar nog donker maar het ontbijt stond wel klaar met onder andere de overgebleven broodjes van de avond te voren. De stoute gedachten werden werkelijkheid en ik pikte vier broodjes en vier puntjes smeerkaas en twee appeltjes. Jacobus zou het mij vergeven wist ik. Terug in de kamer deden we er nog wat lacherig over en juist toen alles was ingepakt en we gereed waren voor vertrek kwam onze gastenbroeder, Hermano José Louis, aankloppen en hij nodigde ons uit voor het ontbijt. Daar sta je dan. Uiteraard werd het ontbijt met smaak genuttigd door ons beiden eenzaam en alleen in de eetzaal. Er was veel warme melk en er was oplos chocoladepoeder en dito koffie. In de keuken tapte ik uit de kraan heet water en zo had ik toch nog koffie. Na het ontbijt werd naar de rekening gevraagd. Daar kon geen sprake van zijn!!. Een donativo, dat mocht. Dus ontving onze broeder 2x pts 2.000 voor de goede zorgen en de uitstekende kamer. Hij was er gelukkig mee en wij niet minder. Door de lange gangen werden we naar de deur gebracht die grondig op slot bleek te zitten en tot buiten de muren van het klooster zijn we, na een foto- en videosessie, door onze zeer vriendelijke broeder uitgeleide gedaan. De paar gepikte broodjes in de rugzak wogen wel zwaar maar later zijn ze toch met smaak genuttigd en dat zou Jacobus zo gewild hebben. Buiten de poort wachtte ons in de laaghangende bewolking en de nevel een echte bergetappe. In een dorpje vroeg ik de weg aan iemand die, naar later bleek, 27 jaar geleden gedurende een jaar in Nederland gewoond had. Door de dichte begroeiing was het onvermijdelijk dat de blote huid van de onderarm door de bramentakken werd geraakt en binnen de kortste keren liep ik met een bloederige arm. Bij een bron is het bloed er later weer afgewassen maar ik hield er flinke krassen aan over. We passeerden een vrouw die op haar vork een indrukwekkende hoeveelheid hooi had gestoken. Het terrein is flink geaccidenteerd en we moeten veel bergen op en vervolgens ook weer af. Rond twee uur belanden we in een bar te Xesta waar een broodje kaas en een aantal blikjes fris wordt genuttigd. We hadden er veel lol. Het voor de nacht geplande adres wordt door iemand afgeraden. We besluiten door te lopen naar Prado naar Hostal restaurant “O Afiliado”. Tegen het einde van de middag stoppen we nog even bij een zeer beduimelde bar met een dito jonge vrouw die twee kinderen in de box (bar) had er één in de buik. Water haalt ze sloffend uit de dorpspomp. De vrouw reikt ons een mandje met pelpinda’s die buiten met smaak worden genuttigd, ondanks het feit dat ze al een beetje oud waren. In Prado aangekomen blijkt het dorp een langgerekte straat te zijn met lintbebouwing. Diverse keren vragen we naar deze hostal en iedere keer krijgen we lange antwoorden en geen aanwijzing en dat terwijl het dreigde te gaan regenen of eigenlijk al een beetje regende. Blijkt dat de naam van het hostal verkeerd in de Engelse routebeschrijving staat! Het was “O Afilador” ofwel “de scharensliep” , en ik maar denken dat die Spanjaarden niet spoorden omdat ze niet zouden weten dat er een Hostal met een bepaalde naam in hun dorp is. Nadat ruim aan het einde van het dorp het juiste adres was bereikt, was de rest snel geregeld: een kamer voor Pts 3.500 en een vegetarische maaltijd voor Merijn. Na de gebruikelijke rituelen en versnaperingen gingen we vol verwachting aan tafel en daar was de anticlimax: de vegetarische vermicelli soep was getrokken in kippenbouillon en dat was hevig tegen het zere been van Merijn en ik at dus met twee borden vermicellisoep die naar niets smaakten maar wel hevig vulden. Merijn genoot verder van patat met een gebakken ei en ik bestelde een niet-vegetarisch stevig steekje.
Ca 17oC, aangename temperatuur. Regen van 07.30h-12.01h
|
O |
m half zeven stonden we op en stelden vast dat het buiten hoosde. Om zeven uur betrad ik de bar waar prompt het alarm afging. Dat kwam goed uit want ondanks het feit dat er een afspraak over een tijdstip was gemaakt lag de uitbater nog achter de gebreide broek maar niet voor lang. Nadat de installatie was afgezet en een telefoontje was gepleegd kregen we een prima ontbijt met brood, marmelade en thee. Het had de hele nacht al geregend en dus bij het vertrek waren we al in regenkleding gehuld. Voor mij betekende dat poncho en losse pijpen. Aan regen was er verder geen gebrek. De ene hoosbui was nog niet voorbij of de andere meldde zich al weer aan. Rond 10 uur arriveerden we in Silleda waar een bar gesloten bleek maar na enig gerammel aan de deur deed de uitbater besluiten de knip eraf te doen. Aan de buitenkant van het rolhek hing de bestelling van de bakker dus dat kwam goed uit. Alles was nu zeer nat en ook de routebeschrijving was doorweekt en de pagina’s aan elkaar gekleefd. Na de koffie ging het verder. De bergen zijn niet meer zo hoog maar het waren er wel erg veel. Om circa 12 uur arriveerden we in het stadje Bandeira waar juist markt was geweest en de kroegen dus mudje vol waren. In de eerste bar bereidde men geen broodjes. In de tweede wel dus hier ging een broodje kaas met koffie en chocolade er met gemak in. Joop trok met zijn malle rode beenpijpen wel bekijks. Om precies 12.00h werd het droog.
|
De “Wet van Merijn”: Merijn heeft tijdens zijn vele wandeltochten een wetmatigheid ontdekt in het gedrag van regen. Als het ’s morgens regent en het regent om 12.00h nog, dan blijft het de hele dag regenen. Als de regen echter vòòr 12.00h ophoud, dan is het de rest van de dag droog. Waarvan acte. |
Het lopen ging ondanks de regen goed. In de loop van de middag werd het droog. Een paar keer is er gestopt voor een korte rustpauze en zo rond half vijf trekken we Ponta Ulla binnen. Dit was een onzekere plaats omdat er weinig info over bekend was. Het eerste hostal bezit slechts 10 bedden die alle bezet bleken maar de Duits sprekende uitbaatster was zo vriendelijk om naar haar collega een paar honderd meter verderop te telefoneren of er plek was en ze bracht ons er zelfs persoonlijk heen. Voor Pts 5.000 hadden we een kamer. Dat was wel duur van restaurant Txolo maar een alternatief was er niet. Veel kleding was doorweekt. Een flinke stapel oude kranten bewezen dienst door de schoenen te drogen. Na een tijdelijk verblijf op een binnenplaats begaven we ons naar de eetzaal waar Merijn genoot van een heerlijke gebonden kervelsoep met tortilla en ik deed de knoflook garnalen en de bacaloa alle eer aan. Beiden waren we tevreden en dat was voor mij het sein om de avond te besluiten met een Copa Veterano.
|
O |
m tien voor zeven wek ik Merijn die nog in zeer diepe slaap is. Op de kamer wordt ontbeten met thee gemaakt van heet water uit de kraan, Bimbo brood en een zwart Spaans kaasje. We laten een enorme berg natte papierproppen achter maar de schoenen zijn van binnen nagenoeg droog. Al vrij snel na het vertrek begint het pad door uitgebreide eucalyptusbossen stevig te stijgen en te dalen. Na twee uurtjes wordt het tweede ontbijt genoten en er wordt aan alle kanten knallend vuurwerk afgestoken. Het blijken mortieren te zijn en het is zeer spectaculair. Ondanks het feit dat het hoofddoel van de trip, het bereiken van Santiago onder handbereik ligt, heb ik een trage en vermoeide gang over me. Zo’n zeven kilometer van Santiago vandaan begeeft de video camera het. Hierdoor kreeg ik geweldig de pest in. Al lopend komen we steeds dichter bij Santiago en de toegangsweg via het zuiden is erg mooi omdat al vrij snel de kathedraal in zicht komt en de weg slechts kort door een woonwijk loopt.
In Santiago zijn we nog even verkeerd gelopen maar daar was hij dan, de Catedral.
Eerst zijn er foto’s op de Plaza de Obradoiro genomen en toen traden we binnen om vervolgens in de rij te gaan staan om Jacobus op passende wijze te kunnen begroeten. Dat duurde best lang maar in de tussen tijd maakte Merijn elders een aantal foto’s in de grafkelder. Toen hij na 10 minuten terugkeerde naast mij (nu voorin) de rij werd er wel vreemd gekeken maar niemand durfde iets tegen de beduimelde “backpackers” te doen. Na het begroetings ritueel is een bezoek gebracht aan de nis waarin Jacobus staat afgebeeld als de Matamores, de Morendoder. In een kruidenierszaak hadden we de dag tevoren ieder een flinke kaars gekocht en die hebben we beiden (clandestien) gebrand. In de kathedraal kan men geen echte kaarsen meer kopen en moet men het doen met elektrische kaarsjes die gekoppeld zijn aan een tijdklok. In het pelgrims registratie bureau zijn de stempels en de “Compostela’s” opgehaald. Ik werd geholpen door een dame die ietwat chagrijnig was en na mij geholpen te hebben vertrok, Merijn daarentegen werd zeer hartelijk en uitgebreid geholpen. We ontvingen van deze lieve dame nader info over de route naar Kaap Finisterre, het tweede doel van de tocht. Buiten gekomen liepen we langs “SuSo die gesloten was en in de straat erachter belandden we bij Hospedaje “La Tita”. Het restaurant was geheel vol en iedereen was druk maar de eigenaar herkende mij gelijk, vroeg hoe het ging en vroeg of ik een kamer wilde. Binnen 60 seconden hadden we de sleutel. Na het wassen is wat gedronken en gedut. Daarna gingen we weer naar de Cathedraal maar die was om kwart voor negen al dicht. Vervolgens is een restaurant opgezocht waar Merijn weer een salata mixta met atun kreeg (atun is toch geen vis!) en vervolgens hebben we langere tijd op een terrasje gezeten om naar mensen te kijken die door de straten liepen te flaneren. Daarnaast hebben we ons heerlijk zitten ergeren aan een drietal zeer verwende maar stierlijk vervelende jongetjes. Met een tevreden gevoel legden we ons te ruste.
Maandag 16 juli, Santiago – Negreira, 20+ km, heerlijk loopweer
|
V |
roeg op. Op de kamer is ontbeten met kaakjes en andere kleine dingetjes. Kwart voor acht vertrokken we en de richting naar de kust was snel gevonden. Op de officiële startplaats van de route naar Finisterre stond echter een afstand vermeld van 88,139 km en daar onder stond een mededeling van Muxia 86,337km. Op zich lijkt dat niet belangrijk maar wat is nu Muxia en wat wordt er nu bedoeld met Finisterre 88,139 km? Later zullen we er achter komen. Het wordt deze dag een mooie tocht die voor ons gevoel behoorlijk langer is dan de aangegeven 20 km. De tocht voert ons door uitgebreide eucalyptus bossen die vanwege de regelmatig vallende regen heerlijk geuren. Het terrein is zeer geaccidenteerd. De bergen zijn niet echt hoog maar het zijn er wel erg veel. In een bar wordt genoten van een mok thee en een broodje en zo rond half drie arriveren we in Negreira. Het is nog een heel stuk lopen. Eerst moesten we door het stadje, bij het einde onder de arcades door en tot slot een stevige stijger naar de refugio. Het was een zeer fraaie, (splinter?) nieuwe refugio die pot dicht op slot was. Gelukkig hing er een briefje met plattegrond en een GSM nummer. Uiteraard is dit nummer gedraaid en binnen enkele minuten was daar Andy, een jongeman van ergens in de twintig die er ruim de tijd voor nam om aan een bureautje de formaliteiten te verrichten. Er volgde een korte rondleiding en de laconieke mededeling dat er geen elektriciteit was wegens een storing en er was dus ook geen warm water. Overigens aan vliegen was er geen gebrek. De slaapzaal werd opgezocht en de gebruikelijke rituelen uitgevoerd. Het sanitair was prachtig met een soort meer persoons douche en het water was inderdaad kkkkouddd, maar ja we hadden een comfortabel dak boven ons hoofd. In het dorp werden boodschappen gedaan met wat te eten en te drinken voor deze avond. Bij de terugkomst was Andy er weer met een elektromonteur en binnen de kortste tijd was er licht. Er kwamen twee echtparen binnen en twee losse vrouwen. Eén man van een echtpaar liep te kreunen en te trekkebenen. Het leek wel of hij twee etappes had gelopen. Zijn vrouw daarentegen was erg fief. Hun auto stond dan ook voor de deur. Zij reed en hij liep met een dagrugzakje. We hebben veel plezier om deze Spaanjaard gehad. De aansteller smolt steeds weg als hij de struise Finse vrouw in het vizier kreeg. Hij kon zijn ogen niet van haar lichaam loskrijgen. Het ander echtpaar was muisstil en hun aanwezigheid werd in het geheel niet opgemerkt. Met de losse dames raakten we in gesprek: één was een Finse en de ander een Amerikaanse. We deelden de blikjes cola en bier en de zak pelpinda’s. Ik ging een dutje doen na eerst vliegen te hebben gedood en Merijn zette het gesprek voort. Over achten maakten we ons gereed voor de avondmaaltijd. De losse dames werden uitgenodigd om ons te vergezellen. In het stadje werden eerst inkopen voor de volgende ochtend gedaan en na veel omzwervingen arriveerden we bij een bar. De uitbater meldde dat Duitsers niet welkom waren maar dat gold duidelijk niet voor ons. Marja, de struise blonde ruimhartig geproportioneerde Finse, bleek vloeiend Spaans te spreken en dat maakte op de uitbater, die de jongere ondeugende broer van René uit Allo, Allo had kunnen zijn, indruk. Eigenlijk was het restaurant dicht, maar goed, voor deze keer enzovoorts. Het opgeven van de bestelling werd een feest van wel 15 minuten. Er waren twee vegetariërs in ons midden en Marja wist goed wat ze lekker vond. De uitbater kwam er uiteindelijk maar gezellig bij zitten. Het werd een echt feestmaal bestaande uit salata mixta, een grote schaal gefrituurde pimentes, soep met spruiten wat aanleiding werd voor de broer van René om overal maar spruiten bij te serveren. Er waren grof gesneden snijbonen met ham en tortilla’s. Ikzelf at knoflookgarnalen. De olie kan je zo lekker soppen met brood. Als toetje was er flan. De dis werd ruim besprenkeld met water en wijn en de gesprekken waren zeer geanimeerd en er is veel gelachen. Ook de uitbater en zijn vrouw kregen er steeds meer zin in. Als zeer goede vrienden namen we, na betaling van een uiterst bescheiden bedrag van minder dan negentig piek, afscheid van onze gastheer en gastvrouw. Terug in de refugio zat Andy nog te wachten op nieuwe pelgrims die deze avond niet meer zouden komen. Afgezien van de vliegen sliepen Merijn en ik geheel alleen op deze10-persoons kamer.
|
O |
m kwart voor zeven stonden we op. Met z’n vieren gebruikten we ieder ons eigen ontbijt. Thee werd gemaakt van heet water uit de kraan. Dat smaakte best. De Spaanse echtparen zijn al vertrokken als wij om kwart voor acht naar buiten gaan. Het was gelijk stevig aanpakken met sterke stijgers en dalers. Rond negen uur regent het alweer een beetje. Het is een prachtige tocht maar als we in bar “Novo” in La Pena arriveren dan regent het al pijpenstelen. Volgens de beschrijving zou in Maronas een eetgelegenheid zijn. Helaas klopten we bij de verkeerde bar aan. Deze hield rustdag en men was zeer onaardig. In een ernaast gelegen loods hebben we van ons zelf restanten oud brood genuttigd en wat water gedronken. Verkleumd en chagrijnig gingen we verder en toen we op enig moment omkeken zagen we “onze twee dames” juist de goede bar inlopen die wèl open was. Wij hadden onwetend voor de verkeerde gekozen. Onderweg ontmoetten we een jonge Nederlander die op de terugweg was naar Santiago. Hij vertelde dat hij niet alleen al naar Kaap Finisterre en Muxia was geweest maar ook dat hij al lang onderweg was en nog veel verder ging lopen.
Om kwart over vijf arriveerden wij bij de Refugio. Het stille echtpaar lag te slapen en de opschepper liep weer te kreunen. (Hij was wellicht jaloers omdat wij wèl met de Finse uit eten waren geweest en hij niet.) Deze refugio is gevestigd in een aantal losse gebouwen en is schitterend verbouwd maar wel in oude stijl gehouden. Een Hospitalera, die luisterde naar de naam Lourdes, ontving ons en ze was erg lief en behulpzaam. Ze had enige gelijkenis met een Madonna. Juist deze dag was de keuken van de hagelnieuwe refugio gereed gekomen ( wij waren de 120-ste bezoeker ooit!) en zij vroeg of wij mee wilden eten met de gemeenschappelijk toebereide maaltijd. Dat kwam erg goed uit want er was in dit gat geen enkele winkel en in de lokale bar buiten het dorp aan de provinciale weg deed men in beginsel niet aan eten. Drinken kon men er net. Buiten hingen drooglijnen onder een afdak. Het was echt perfect. Alleen die vliegen: op straat lag overal stront dus werd het een kwestie van accepteren. Het “stille echtpaar” kookte: vooraf een tomaten-ui salade met een paar verdwaalde olijven, kleefrijst met knoflook en een gebakken ei. Voor de niet vegetariers was er nog een stukje bleke kip. Het water vloeide rijkelijk uit grote plastic kannen en alleen ik had een bodempje rode wijn dat een bescheiden glas net vulde. Normaliter deel ik zo’n traktatie maar dit keer was dat hopelijk niet de bedoeling. Een kaasje met vrouwelijke vormen ging rond en haalde het einde van de avond niet. Het was een erg geanimeerd samenzijn. Met elkaar werd er afgewassen en om half elf zocht ieder zijn slaapzak op. Ook in deze refugio waren meerdere slaapzaaltjes.
|
H |
alf zeven stonden we op. Het stille echtpaar eveneens en geluidloos vertrokken die binnen een half uur. Rond zeven uur stonden we buiten en staand, zittend en pratend nuttigden we een licht ontbijt. Zo rond kwart over zeven zou Lourdes ontbijt maken maar dat liep enigszins uit. Rond half acht ging de woning van de Hospitalera open en Lourdes kwam in luchtige zomer pyjama met daar overheen een niet kleurend vest zich verontschuldigend naar buiten. Het dagverblijf werd geopend en een ieder (dus 10 mannen en vrouwen) viel aan op datgene dat op tafel werd geplaatst. Dat was zoet brood, cake, koffie, thee, warme melk en chocolade. Pas bij de derde ronde bemachtigde ik een kopje koffie maar het smaakte er niet minder om. Het ontbijt verliep alweer zeer geanimeerd. De pot voor een donación ging rond en er werd ruimhartig gedoneerd, er werd vervolgens weer collectief afgewassen en daarna werd op passende wijze voor het leven afscheid genomen van Lourdes die alles met een hemelse glimlach aanschouwde. Ik kreeg de indruk dat zij nog niet eerder in haar leven zo uitgebreid en zo hartstochtelijk is gekust. De eerste drie kwartier liepen we op met de “eigen” dames. Daarna namen we afscheid en liepen Merijn en ik door. Na anderhalf uur dronken we in een barretje koffie en tegen het vertrek kwamen de dames binnen. Bij vertrek werd er voor de derde keer lachend afscheid genomen. Ook dit stuk van de route was prachtig met veel heuvels. Op enig moment was de zee te zien. Ultreia!! Dat gaf een apart gevoel. In Cée aten we in een bar annex kruidenierszaak een broodje en Petty voegde zich bij ons. Haar levenspartner zou zich bij de refugio in Cée vervoegen om haar verder naar Kaap Finisterre te vergezellen. Het laatste stukje tussen Cée en Finisterre was lastig te vinden. Daar liepen we nog even mis maar het rechte pad was weer snel gevonden. Langs een soort wandelpromenade, de Rua de Marina, liepen we dicht langs het water van de baai naar Finisterre. In Finisterre volgden we de weg richting haven en zo kwamen we rond kwart over vijf, dus na zo’n negen uur, bij de aldaar aanwezige refugio. Een jonge Amerikaanse vrouw knauwde ons toe dat de refugio pas om 19.00h geopend zou worden. We keken wat rond en op een terras droogden we de natte kleding. Vastgesteld werd waar vandaan en hoe laat de volgende dag de bus naar Santiago zou vertrekken. Dat was vanaf de haven op een paar minuten afstand van de refugio.
Precies op de aangegeven tijd kwam er een dame de refugio openen. Merijn en ik drongen wat voor en we werden als eerste te woord gestaan en daar was hij weer: onze klagende Spanjaard die we al een aantal avonden in onze nabijheid mochten verwelkomen. Luidruchtig begon hij over onze schouders heen een gesprek met de dame. Dit verstoorde ik door hard met Merijn, die naast mij zat, te gaan praten en zo werd ik toch nog als eerste ingeschreven en ontving ik het begeerde Finisterre certificaat. We kregen bij herhaling de mededeling dat om 23.00uur de deur op slot zou gaan. Na het klaar maken van het bed liepen we in 35 minuten naar de vuurtoren, El Faro. Daar stond dan de laatste Camino markering met de stralenkrans naar de grond gericht. Het afstandsplaatje met 0,000 km ontbrak en was dus kennelijk ontvreemd. Veel foto’s zijn gemaakt, ook van de bronzen schoenen die achter de vuurtoren staan. Naast de bronzen plaat had iemand recentelijk een vuurtje gestookt. Ik vond dat ergerlijk maar toen wist ik nog niet van het Keltische gebruik om hier iets persoonlijks te verbranden (haren, nagels e.d.). In het barretje ter plekke is nog gewacht op de verwachte fraaie zonsondergang maar het duurde te lang. We moesten immers nog eten! Wel kregen we hier een fraai stempel in onze Credantial. Tegenover de refugio in Fisterra was een hamburgertent waar we na uitvoerige conversatie met de dame achter de bar onder andere iets vegetarisch bestelden. Inmiddels had ik 22 ansichtskaarten van de landtong en even zovele postzegels gekocht. In de refugio waren inmiddels een aardig aantal fietsers aangekomen. Vijf kwamen er uit Oost Europa, de rest waren Spanjaarden. Aan een tafel is een deel van de kaarten geschreven. Om precies elf uur ging het licht uit en de deur op slot. Om kwart over elf was iedereen al in diepe rust.
Donderdag 19 juli, weer terug naar Santiago per bus.
|
R |
uim voor zeven uur werd ik wakker. De boel werd opgeruimd en ik schreef de rest van de kaarten. Merijn liep nog even naar de haven en vond daar een paar fraaie schelpen waaronder een kleine Jacobsschelp. In een bar tegen over de refugio bestelden we een ontbijt. De kelner liep naar buiten om bij de bakker vers brood te halen en in zijn woning boven de zaak werden de broodjes kaas klaar gemaakt. Tegen negenen waren we aan de haven waar ik nog een paar schelpen bij elkaar raapte. Tegen half 10 kwamen er mensen uit allerlei richtingen en een bus kwam uit het niets naar de plek waar we stonden. Onderweg moesten we in Vimian overstappen op een andere bus maar die bus stond al gereed. Om kwart over twaalf arriveerden we op het grote busstation van Santiago. Gezocht is naar de het kantoor van de maatschappij die ons naar huis zou brengen. We kwamen gelukkig voor op de passagierslijst voor de volgende dag en de reservering voor de terugreis werd bevestigd door het plaatsen van verschillende stempels op de tickets. Hierop liepen we naar het centrum waar bij La Tita de sleutel van kamer 23 werd gevraagd maar eerst werd op het terras genoten van een gratis consumptie. Ik nam een douche en vervolgens werd bij de nabij gelegen VVV gevraagd naar de adressen van de vegetarische restaurants in Santiago. Het waren er twee. De eerste konden we niet vinden. Bij de tweede reserveerden we een tafel voor de avond. De rest van de middag is doorgebracht met het kopen van souvenirs en het kijken naar mensen. Deze vermoeiende activiteiten zijn besloten met een dutje. Op passende wijze werd ik gewekt door een groep doedelzakspelers die door de nauwe straat marcheerde. De avondmis van acht uur werd bezocht. Deze was reeds om half acht begonnen omdat het een hoogmis bleek te zijn met tussen de 15 tot 20 geestelijke op het altaar en een volle kerk met gelovigen. Door de mis heen klonken verschillende “soundchecks??”Na de mis ging het richting eethuis. Het eten in het vegetarisch restaurant was lekker en erg gezellig. De bediening deed zeer zijn/haar best. Goentensoep, Griekse salade, lasagne en flan toe. In het centrum waren veel mensen op de been. Er speelde een soort dweilband en daar zijn we maar achteraan gelopen. Het plein voor de kathedraal was voor ruim de helft gevuld met mensen en daar waren nog een paar orkesten bezig. Nadat het tegen elven donker was en de straatverlichting was gedoofd werden een paar knalvuurwerk pijlen de lucht in geschoten. Het balkon van het presidentiële paleis werd in het licht van een grote schijnwerper gezet en de president van Galicia, geflankeerd door ruim honderd gasten, stak gezien de reacties een geestige speech af die werd besloten met een viva Xacobeo, Viva Santiago en tot slot een viva Galicia. De duizenden aanwezigen juichten als waren zij in een voetbalstadion. Toen barstte het letterlijk knetterende en spetterende vuurwerk in alle hevigheid los boven de hoofden van massa op het plein. De ahhhs en ooohs waren het volgende half uur niet van de lucht. Merijn genoot met volle teugen, ondanks het feit dat we in dikke kruitdampen gehuld waren. Hij is namelijk wild op vuurwerk. Na het spektakel werd het immense podium bevolkt en een lokaal wereldberoemd Heintje begon de nummers van zijn enige CD te zingen. Na een paar nummers hield Joop het voor gezien en ging richting huis. Merijn bleef nog wat hangen. Onderweg stuitte ik op een groep troubadoers, een zevental mannen met gitaar die in Zwarte Piet broeken, capes en sierlijke linten Spaanse (volks)liederen vertolkten die door de paar honderd omstanders uit volle borst werden meegzongen. Schitterend. De koude rillingen lopen bij het schrijven nog over mijn rug. Veel later dan gepland liep ik naar de hostal en onderweg ontmoette ik Merijn weer. Jacobus had het afscheid voor mij niet mooier kunnen regelen. Bij La Tita kon ik nog net een koffie met een enorme “Copa Veterano” krijgen om daarna in een droomloze slaap te vallen die veelvuldig werd onderbroken.
|
H |
et blijkt dat we getuige zijn geweest van de start van de feestweek vanwege de verjaardag op 25 juli van St Jacobus. Wij nuchtere Hollanders zouden daar één dag aan spenderen, de Spanjolen doen dit soort dingen gelijk goed en die trekken daar gewoon een week voor uit.
De hele nacht liepen er feestgangers door de straat die smal en hoog is. Voetstappen klinken hard en als de mensen praten dan hoor je dat al op honderd meter afstand vanwege de open balkondeuren. Om acht uur dronken we een flinke mok thee en namen, ondanks het feit dat hij geen letter buiten de deur spreekt en ik slechts 200 woorden Spaans in mijn vocabulaire heb staan, als goede vrienden afscheid van de heer Darío Rodriguez Valcárcel. Adios Darío, Adios Santiago. De rugzakken werden omgehangen en te voet gingen we naar het busstation waar we meer dan een uur de tijd hadden voor een ontbijt en koffie. De bus was een hoogdekker en omdat we als eerste bij het busstation waren vonden Merijn en ikzelf dat wij als enigen recht hadden op de banken achter de panoramaruit en zo geschiedde. Eerst was de bus voor ruim de helft gevuld maar in de loop van de dag werden er verschillende halteplaatsen aangedaan er steeds stapten er mensen bij. In de nacht was het niet meer te houden: de bus was vol en zowel Merijn als ik kregen een medepassagier naast ons, jammer maar de helft van de reis zaten we toch ieder comfortabel op onze eigen bank. Diep in de nacht werd de Franse grens gepasseerd en de douane kwam aan boord. Twee jonge zwarte vrouwen werden uit de bus gehaald, inclusief hun beperkte bagage. Na twee minuten wachten en overleg met het thuisfront vertrok de bus weer in de nacht…
Het transport met een bus is vrij comfortabel. Iedere 3 ½ tot 4 uur wordt er al dan niet kort gestopt voor een chauffeurswissel en voor een hapje en een drankje. De halteplaatsen zijn zonder uitzondering ingesteld op het ontvangen van grote hoeveelheden mensen, ook als er 6 of 8 bussen tegelijk arriveren. Waar vindt je dat in Nederland?
Via de GSM van Merijn lieten we Joke weten hoe laat we zouden aankomen en rond drie uur in de middag waren we weer in Breda met een zeer tevreden gevoel: Yes, I did it!
Ultreya e Suseya, het is volbracht!
Mail naar Joop : JOOP
site is designed bij rjwerf.nl
Voor opmerking over deze pagina mail: de webmaster
Deze pagina is bij gewerkt op : 15-sep-2009